Van Alexander tot Zeus

Door Eric Moormann & Wilfried Uitterhoeve

Gepubliceerd op 08-03-2017

Nimfen

betekenis & definitie

Nimfen (Nymphai) is de oorspronkelijk aanduiding voor huwbare meisjes, later godinnen. Deze kinderen van Zeus, Okeanos, Acheloös en (soms) de godin Themis leven in de bossen (Dryaden), bergen (Oreaden), bij zoet water (Naiaden) of in zee (Nereïden). Sommigen zijn met naam bekend (de bronnimf Arethousa in Syracuse bijvoorbeeld, die door een verliefde Arcadische riviergod Alpheios achterna werd gezeten en zich door Artemis in een bron liet veranderen om aan hem te ontkomen) en hebben liefdesaffaires (met Salmakis, Hermaphroditos). In andere gevallen loopt het met de minnaars slecht af (Hylas, Daphnis). De vrouw van Orpheus, Eurydike, is een Dryade. De nimfen zijn verbonden met godinnen van de vruchtbaarheid als Artemis, met Dionysos in hun functie van opvoedster en met Aphrodite. Pan is hun leermeester. De cultusplaatsen heten steeds nymphaion en zijn met bronnen en fonteinen verbonden.

Ze zijn jong voorgesteld, gekleed of ongekleed (alleen waternimfen) en komen reeds op de François-vaas te Florence ca. 570 v.C. voor. Reliëfs in hun heiligdommen stellen hen vaak met Hermes of Pan voor. Als aanduiding van een landschap zijn ze aanwezig op mozaïeken en schilderingen (soms onder de naam ‘Aktai’, zoals op de Odyssee-landschappen van ca. 40 v.C. in het Vaticaan). Zijn het waternimfen, dan hebben ze een kruik en/of waterplanten als attribuut. In deze gedaante zijn ze vaak als fonteinbeelden gebruikt.

De associatie met water bepaalt ook in de nieuwe tijd goeddeels het beeld van de nimfen. Beeldhouwers gebruiken hen als decoratief element voor fonteinen of waterpartijen (bijv. Goujon ca. 1549 op de Fontaine des Innocents te Parijs, Adriaen de Vries op de Herkulesbrunnen te Augsburg 1596-1602, Permoser 1712-19 aan het Nymphenbad in de Zwinger te Dresden en Girardon 1666-73 in het park van Versailles) of laten hen uit bad oprijzen (bijv. Falconet 1757). Ook schilders beelden hen dikwijls af bij een waterbekken (bijv. Cranach verschillende malen vanaf 1518) of bij een bron (bijv. Böcklin 1855, Ingres 1856, Renoir 1869-70, Stuck ca. 1911). ‘Nimf’ is de passende soortnaam voor een vrouwelijk naakt in ruste of in slaap (een beeldje van Giambologna ca. 1580), in de schilderkunst ge-situeerd in de vrije natuur (een schilderij van Chassériau 1850). Uiteraard zijn de nimfen vele malen afgebeeld in het gezelschap van Artemis, tot wier gevolg zij behoren. Voor de mogelijke betekenissen van een nimf beloerd door een satyr, zij verwezen naar Satyrs.

De nimfen komen veel voor in de bucolische dichtkunst, zo in Boccaccio’s Commedia delle ninfe fiorentine 1342 en Ninfale Fiesolano 1344-46. De traditie van bucolische of paradijselijk-arcadische gedichten vindt voortzetting in het drama The Golden Age van Heywood 1611, in gedichten van Opitz 1630, Herder 1797, Heredia 1877 en 1890 en Borges 1967. Speciaal de Naiaden komen voor in lyrische gedichten van Herder 1787 en D’Annunzio 1893.

In de muziekgeschiedenis van de 17e eeuw figureren zij in tal van madrigalen, canzones of serenades: o.a. Morley 1595, Monteverdi/Rinuccini 1622, voorts in een ‘masque’ van Gibbons voor 1625 en in een opera van Ferrari 1642. In de 19e eeuw werden nogal wat nimfenballetten geschreven, o.m. in 1876 door Delibes, die ook ca. 1890 een koorwerk schreef. Al die tradities lopen door tot in de 20e eeuw: o.m. liederen van Debussy/Louÿs 1897, een ballade van Dvo˘rák 1883 en een stuk voor twee vrouwenkoren van Castelnuovo-Tedesco 1954.