Van Alexander tot Zeus

Door Eric Moormann & Wilfried Uitterhoeve

Gepubliceerd op 08-03-2017

Dionysos

betekenis & definitie

Dionysos (ook wel Bakchos; door de Romeinen, die hem identificeerden met de oude godheid van Italiaanse bodem Liber, bacchus genoemd), zoon van Zeus en de Thebaanse koningsdochter Semele. Bij Semele is de geschiedenis van verwekking en geboorte beschreven. Na de geboorte liet Zeus het kind door Hermes overbrengen naar het mythische land Nysa, waar het werd groot-gebracht door nimfen. Volgens sommige schrijvers zou het kind eerst zijn toevertrouwd aan een zuster van Semele, Ino, getrouwd met Athamas, koning van Orchomenos. Dionysos was toen weliswaar als meisje verkleed, maar de wraakzoekende echtgenote van Zeus, Hera, keek door deze vermomming heen en sloeg de pleegouders Ino en Athamas met een waanzin waarin ze hun eigen kinderen doodden.

De volwassen Dionysos trekt door vele lan-den, tot in het verre India, met in zijn gevolg de Mainaden (ook wel Bakchai, Lat. Bacchae). Deze ‘bezeten vrouwen’ geven zich over aan de door Dionysos geïnspireerde ekstasis (het buiten zichzelf treden) en enthousiasmos (de vervuldheid van god) en worden in de thiasos één met de god. Zij dragen, zoals alle volgelingen van Dionysos, de thyrsos: een staf met een granaat of pijnappel aan de bovenzijde, omrankt met wijn- en klimopbladeren. Tot Dionysos’ gevolg behoren verder de Satyrs en Silenen, van wie er één geïndividualiseerd wordt als Silenos, die de opvoeding van Dionysos zou hebben voltooid. Onderweg stuit hij op geringschatting en op twijfel omtrent zijn macht en zijn goddelijke afkomst. De orgiastische cultus roept eveneens weerstand op. Zo tracht de Thracische koning Lykourgos hem gevangen te nemen, zodat hij in zee beschutting moet zoeken bij Thetis. Hij wreekt zich door de koning waanzinnig te laten worden. Die ziet aldus zijn zoon Dryas aan voor een wijnstok en doodt hem met een kapmes. Het land wordt onvruchtbaar en de bewoners, gehoor gevend aan een orakelspreuk, doden Lykourgos om de vruchtbaarheid te doen terugkeren.

Om het eiland Naxos te kunnen bereiken maakt hij gebruik van een schip dat door piraten bemand blijkt te zijn. Als de zeerovers aanstalten maken hem als slaaf te verkopen, verandert hij hun roeispanen in slangen en laat hij het schip overwoekeren door wijnranken. De piraten verdooft hij met het schrille geluid van onzichtbare fluiten: ze springen overboord en veranderen in dolfijnen. Aangekomen op het eiland wekt hij Ariadne en hij trouwt met haar.

Ook later wordt hij geconfronteerd met gering-schatting en met een afwerende houding tegenover de aan hem gewijde erediensten. Een drietal verhalen legt daarvan getuigenis af. In Argos weigeren de dochters van koning Proitos van Tiryns zich aan te sluiten bij de mainaden en de god te vereren. Ze worden waanzinnig, trekken de bergen in, zien zichzelf aan voor koeien en verslinden hun eigen borelingen. De waarzegger Melampous geneest hen van hun waanzin, maar ontvangt de toegezegde beloning (een derde of in ieder geval een aanzienlijk deel van het koninkrijk) pas nadat de ziekte steeds meer inwoners van Argos getroffen heeft. Op gelijke wijze wor-den in Boiotië de dochters van koning Minyas van Orchomenos, die weigeren deel te nemen aan de erediensten, ertoe aangezet een van hun eigen zonen te verscheuren. Het bekendste verhaal in dit verband betreft Pentheus; het is onderwerp van de tragedie Bakchai van Euripides. Dionysos keert terug naar zijn plaats van herkomst Thebe, geregeerd door zijn neef Pentheus, kleinzoon van Kadmos en zoon van Semeles zuster Agaue. De koning verzet zich, anders dan de bejaarde Kadmos en Teiresias, heftig tegen de orgiastische riten waaraan de Thebaanse vrouwen, onder wie zijn moeder Agaue, zich in het nabije gebergte overgeven. Hij neemt een vermeende afgezant van Dionysos (in werkelijkheid de god zelf) gevangen, maar deze bevrijdt zich van zijn ketenen en laat het koninklijk paleis in vlammen opgaan. Pen-theus wordt dan uitgedaagd om zelf op de berg Kithairon de bezeten vrouwen te observeren. Als hij zich in een boom heeft verscholen, vestigt de god de aandacht van de vrouwen op hem. In razer-nij houden ze Pentheus voor een leeuwenjong en hij wordt verscheurd door zijn eigen moeder en haar zusters Ino en Autonoë. Als Agaue het hoofd van Pentheus zegevierend de stad binnendraagt, wordt ze door Kadmos tot bezinning gebracht en dringt het tot haar door dat ze zich schuldig heeft gemaakt aan een gruwelijke daad: een straf voor de door Pentheus getoonde geringschatting jegens Dionysos en voor haar eigen ongeloof van destijds betreffende de goddelijke afkomst van het kind Dionysos (Semele).

Gaandeweg vestigt Dionysos aldus zijn gezag over de hele wereld en kan hij zich opmaken om zich bij de goden te voegen. Voordien daalt hij nog af in het dodenrijk en krijgt hij van Hades toestemming om zijn moeder Semele uit de onderwereld en naar de goden te voeren. Zijn ontmoeting en huwelijk met Ariadne vinden plaats na de opneming onder de Olympische goden (een positie die bij Homeros nog niet voor hem is weggelegd). In de Gigantomachie (Gigan-ten) doodt hij Eurytos met een slag van zijn thyrsos, zijn traditionele attribuut. Uit een verhouding met Aphrodite zou de vruchtbaarheidsgod Priapos zijn geboren, steeds herkenbaar aan de phallos. Met hem deelt Dionysos het machtsgebied van vruchtbaarheid en vegetatie. In het bijzonder is Dionysos de god van de wijn en uitvinder van de wijnbouw. Mythografen als Hyginus en Apollodoros vertellen dat Dionysos verliefd werd op het Atheense meisje Erigone en haar vader Ikarios kennis liet maken met de wijnbouw. Ikarios deelde de wijn met herders die, toen ze dronkenschap voelden opkomen, meenden dat ze vergiftigd werden en Ikarios doodden. Erigone zou zichzelf daarna hebben opgehangen. Dionysos zette andere Atheense meisjes ertoe aan zich te verhangen en aan de golf van zelfmoorden kwam pas een eind, toen de Atheners de herders tuchtigden.

Wijngebruik speelt ook een rol in andere vertellingen rond Dionysos. Zo zou hij Hephai-stos, die weigerde zijn plaats onder de Olympische goden in te nemen, hebben beneveld en aldus naar de Olympos hebben kunnen voeren. De roes neemt een belangrijke plaats in in de ‘bacchanalen’ van de orgiasten, de ingewijden in de cultus van Dionysos (en soms ook Ariadne). Bij Euripides speelt drankgebruik nog geen rol: het gaat dan om een extatische vereniging buiten de normale levenssfeer van de volgelingen van Dionysos, die zijn thiasos vormen.

Mogelijk drukken de legenden van Proitos, Minyas en Pentheus de afkeer uit tegen de her en der in Griekenland als bedreigend ervaren Dionysos-cultus. In tegenstelling tot vele andere goden werd Dionysos ook religieus als belangrijk beschouwd. Zijn mysteriën, slechts bestemd voor ingewijden (mystai), waren zeer populair in de Romeinse tijd. Gezien de geheimhouding waartoe de gelovigen verplicht waren, is onze kennis schaars en vertroebeld door speculaties. Talrijke voorstellingen met Dionysos zijn in verband met de cultus geïnterpreteerd, bijvoorbeeld het grootste geschilderde figurenfries van de oudheid in de Villa dei Misteri te Pompeii ca. 70-60 v.C. en het Dionysos-moza-iek in Keulen uit het begin van de 3e eeuw n.C.

De Bakchai van Euripides drukt op indringende wijze de extatische en gevaarlijke vervoering uit. Een Lykourgos-trilogie van Aischylos is op enkele fragmenten na verloren gegaan. Tot de belangrijkste literaire teksten waarin een beeld wordt gegeven van Dionysos, behoren verder drie homerische hymnen en het epos Dionysiaka van Nonnos (5e eeuw n.C.).

In de beeldende kunst ondergaat Dionysos een ontwikkeling van waardige, rijzige, geklede en baarddragende gestalte naar een naakte, enigszins weke, soms door drank benevelde jongeman zonder baard. Ook hier kan men de tegenstelling constateren met de god van de rede en de maatvoering, Apollo, die wordt afgebeeld als jeugdige, atletische en fiere verschijning. Met name op vazen wordt Dionysos door de eeuwen heen afgebeeld met zijn thyrsosstaf midden tus-sen wijn- of klimopranken, met een wijnschaal in de hand en met de huid van een panter over de schouder, vergezeld door een van de hem gewijde dieren (panter, geit). Hij bevindt zich veelal te midden van zijn thiasos, de mainaden, satyrs en silenen, rijdend op een wagen of lopend, bijvoorbeeld bij het terugvoeren van Hephaistos naar de Olympos. We kennen ook beelden van de god die op Silenos of een satyr leunt, te weten een barnstenen beeldje uit Esch (Noord-Brabants Museum Den Bosch) eind 2e eeuw n.C. Ook is in de beeldhouwkunst Silenos met de jonge Dionysos op zijn arm voorgesteld. Van de talrijke mythologische verhalen zijn vooral vaasschilderingen en reliëfs bekend. In de 6e eeuw v.C. is dat bij voorkeur Hephaistos, vanaf de 5e eeuw zien we Lykourgos en Pentheus, pas in het hellenisme is Ariadne in verband met Dionysos voorgesteld (Naxos, triomftocht, huwelijk), bijvoorbeeld op Romeinse sarcofagen.

In 1496-97 creëert Michelangelo opnieuw het type van Dionysos als wekelijke jongeman: een beeld dat in de beeldhouwkunst van Sansovino midden 16e eeuw tot Thorwaldsen o.m. 1805 van grote invloed is geweest. Caravaggio schildert Dionysos rond 1590 als een jongen die zich al te goed gedaan heeft, in 1596-97 is hij een vadsige jongeman die een glas wijn heeft ingeschonken. Wat later wordt Dionysos dikwijls een dikke drinkebroer, soms nauwelijks te onderscheiden van de dronken Silenos, aldus o.m. bij Jordaens ca. 1650 en Woutiers 1652.

Dionysos is vele malen geschilderd in het bonte gezelschap van de mainaden, satyrs en silenen, soms ook van Kentauren en van Pan, o.a. door Cima da Conegliano ca. 1505-10, Cornelis van Haarlem ca. 1608 (Museum Boijmans Van Beuningen Rotterdam), Moeyaert 1624 (Mauritshuis Den Haag) en Vigée-Lebrun 1785. Gaat het om het triomfmotief, dan heeft hij dikwijls Ariad-ne op zijn wagen of in zijn nabijheid, bijvoorbeeld in de fresco’s van Peruzzi ca. 1511 in de Villa Farnesina te Rome en van Annibale Carracci 1597-1600 in het Palazzo Farnese te Rome, en in de schilderijen van Van Heemskerck ca. 1540, Pietro da Cortona ca. 1620, Rubens ca. 1637, Jordaens ca. 1645 en Natoire 1747.

Bacchanalen kennen we onder meer van Titiaan ca. 1518 in opdracht van Alfonso d’Este en van Van Heemskerck ca. 1536. Poussin schilderde ca. 1635 drie bacchanalen met als hoofdpersonen Pan, Silenos en Dionysos, alsmede een tegenhanger ‘ter zee’, nl. een bruiloft van Poseidon en Amphitrite, in opdracht van kardinaal Richelieu. Het van de 16e tot in de 18e eeuw veelvuldig voorkomend motief verzinnebeeldt het ideaal van de jeugd en de schoonheid, de natuurlijke vreugde en de bevrijding van de zorgen. De thiasos, maar dan uiteraard zonder Ariadne, is soms aanwezig op voorstellingen waar de kleine Dionysos door Hermes aan de nimfen wordt overgedragen of waar deze zijn opvoeding behartigen, bijv. Giovanni Bellini ca. 1505, Boucher 1734, Reynolds 1773 (met Lady Hartley als nimf) en Gérôme 1848. Beelden met dit thema zijn er van o.a. Canova 1797 en Clesinger 1869. Giulio Romano beeldt rond 1537 de geboorte af. Poussin schildert rond 1657 het grootbrengen van Dionysos, zinnebeeld van vruchtbaarheid en vreugde, in combinatie met de scène van Narkissos en Echo, symbool van steriliteit.

In personificaties van de vier seizoenen staat Dionysos met zijn druiventrossen en drinkbeker, en dikwijls ook met Ariadne, voor de tijd van de wijnoogst, de herfst. Een greep uit tal van voorbeelden, enkel al voor de 18e eeuw: de seizoenencycli 1701 van Terwesten in het huis Fagel te Den Haag, dat nu in de tuin van het paleis aan het Noordeinde is opgenomen, en van Charles de La Fosse e.a. in het Pavillon Royal van het paleis te Marly (zelfde tijd, nu verspreid), de plafondschildering van Dominici tweede helft 18e eeuw in de ‘herfstsalon’ van het paleis te Caserta.

Gaat het bij de seizoenverbeelding om een veel terugkerend thema, uniek is de schildering door Velázquez ca. 1628-29 van Dionysos die Spaanse boeren vertroosting komt brengen. Vergelijk voorts de voorstellingen met Ariadne en met de geboorte (Semele).

Zowel in de literatuur als in de beeldende kunst van de middeleeuwen wordt Dionysos beschouwd als een prefiguratie van Christus, omdat hij de zoon van een god en een sterfelijke moeder is, onder de mensen verblijft en hun een hemels hiernamaals belooft. Daarnaast geldt hij ook als de personificatie van onmatigheid. In de literatuur van de nieuwe tijd ziet Heinsius in Hymnus of Lof-sanck van Bacchus 1614 de god als symbool van bedwinging van de doodsangst.

In de Duitse romantiek, bijvoorbeeld in de lyriek van Hölderlin, werd Dionysos geëvoceerd als de ‘nieuwe god’. Het dionysische wordt door Nietzsche in Die Geburt der Tragödie aus dem Geiste der Musik 1872 geplaatst tegenover het apollinische. Deze tegenstelling is vooral uitgewerkt in bewerkingen van de Bakchai van Euri-pides. Een fascinerende behandeling van het contrast tussen ratio en duistere en gevaarlijke vervoering vinden we in het libretto van Auden en Kallman voor de opera The Bassarids van Henze 1966. De dionysische extase wordt ook centraal gesteld in enkele nummers van het sur-realistische tijdschrift Acéphale (1936 en 1937). Een dichterlijke evocatie van de zegetocht van Dionysos en de verspreiding van diens gaven vol positieve rijkdom op aarde geeft de roman Dionyzos van Couperus 1904. Holst toonzette in 1913 delen uit de tragedie van Euripides in de vorm van een hymne.

In de muziekgeschiedenis treedt Dionysos vele malen op in de relatie tot Ariadne. Hij treedt verder naar voren in balletten: bijv. Lully 1666, die in 1672 ook een pastorale componeerde op een tekst waaraan werd meegewerkt door Qui-nault, Molière en Bensérade. Dionysos-cantates en -liederen zijn er van o.m. Clérambault 1710 en Händel 1731. Twee Bacchus-projecten van Debussy, een orkestsuite ca. 1882 en een opera (begonnen 1904) naar een libretto van Gasquet, kwamen niet tot uitvoering resp. voltooiing. Holst toonzette in 1913 delen uit de tragedie van Euripides in de vorm van een hymne. Roussel schreef muziek voor de Ballets Russes van Dia-ghilev 1931.