Van Alexander tot Zeus

Door Eric Moormann & Wilfried Uitterhoeve

Gepubliceerd op 08-03-2017

Apollo

betekenis & definitie

Apollo is de zoon van Zeus en Leto, tweelingbroer van Artemis. Over de wijze waarop Zeus’ jaloerse echtgenote Hera de geboorte van de twee-ling wilde blokkeren. Volgens sommigen werd Apollo na zijn geboorte op Delos naar het noorden gevoerd, naar het land van de Hyperboreeërs, en groeide hij daar binnen een jaar op tot een volwassen jongeman. Hij leefde er in ieder geval ’s winters om in het voorjaar terug te keren naar zijn hoofdresidentie Delphi. Delphi lag op de plaats van de navel (Omphalos) van de aarde en had daarom een bijzondere betekenis in het Griekse wereldbeeld. Hier was van oudsher een orakel van de godin van de aarde Gaia, verbonden met een later heiligdom voor haar dochters, de Titaansen Themis en Phoibe. Om zich meester te maken van de plaats moest Apollo de Python doden. Deze Python was een enorm slangenmonster dat, onder bescherming van zijn moeder Gaia dan wel van de Titanen-dochter Phoibe, in dit Themis-heiligdom woonde en de omgeving terroriseerde. Apollo schoot met zijn pijlen de Python neer, liet zich van deze moord zuiveren in Thessalië en installeerde in Delphi een priesteres die hem toegewijd was, de Pythia. Sindsdien was Delphi het belangrijkste heiligdom van Apollo en tevens de meest gezaghebbende orakelplaats van de Oude Wereld. Apollo moest later zijn heiligdom nog verdedigen tegen Herakles, die zich uit woede over een niet te ontraadselen orakelspreuk meester wilde maken van de heilige drievoet om elders een eigen orakel te vestigen. Zeus scheidde het vechtende paar met een bliksemschicht.

Samen met Artemis rekende Apollo met zijn pijl en boog ook af met de reusachtige Tityos, die zich aan hun moeder Leto had willen vergrijpen. Hij verdedigde met Artemis nog op andere wijze de eer van zijn moeder: door de kinderen van Niobe neer te schieten, nadat deze zich vanwege haar grote kinderschaar superieur had durven achten aan Leto met haar slechts twee kinderen.

Tot zijn machtsgebied behoort de waarzeg-gerij. Niet alleen het orakel van Delphi, maar nog tal van andere orakels staan onder zijn gezag, onder meer Didyma, Klaros en Delos. In deze sfeer horen ook de Sibyllen thuis; met die van Cumae zou hij zelfs een liefdesverhouding heb-ben gehad. Apollo kon de gave van de profetie ook aan anderen schenken; hij deed dat bijvoorbeeld aan Kassandra.

Zoals blijkt uit het doden van de Python, Tityos en de kinderen van Niobe is zijn geliefde wapen de pijl en boog. Niet alleen oefent hij er wraak mee uit, hij schenkt er ook een goede, want snelle dood mee (vgl. Artemis). De vaak wrede indruk die de god op ons maakt, wordt veroorzaakt door zijn taak om mensendaden die zijn vader Zeus als onjuist en onrechtmatig beschouwde, te straffen en de orde te herstellen.

Hij kan echter nog op andere wijze beschikken over leven en dood. Samen met Poseidon bouwde hij de enorme muren van Troje, maar toen hij van koning Laomedon niet de beloofde honorering ontving, zond hij een vernietigende pest over de stad. In de Trojaanse oorlog sloeg hij de Grieken met een pest teneinde Agamemnon te dwingen het meisje Chryseïs, dochter van Apollo’s priester Chryses, vrij te laten. Ook in andere gevallen stelde Apollo zich in deze oorlog op tegenover de Grieken. Homeros beschrijft hoe hij Paris en Aeneas in bescherming nam, en Vergilius sluit aan bij een traditie die wil dat Paris Achilleus dodelijk trof met een door Apollo gestuurde pijl.

Tegenover zijn vernietigend vermogen staat dat hij van oudsher geassocieerd is met de genees-kunst. Allengs gaat deze functie over op zijn zoon Asklepios, door hem verwekt bij het meisje Koronis en na zijn dood onder de goden opgenomen. De aan Asklepios ter beschikking gestelde kwaliteiten leidden tot een ongewild verblijf van Apollo onder de mensen, het tweede na de bouw van de muren van Troje. Asklepios had Hippo-lytos (Phaidra) tot leven gewekt en daarmee de orde verstoord, waarna Zeus hem met de bliksem doodde. Apollo nam wraak door de makers van de bliksem, Zeus’ zonen de Kyklopen, te doden. Hij werd door de oppergod voor straf ertoe veroordeeld tijdelijk onder een sterveling te dienen: een jaar hoedde hij het vee van Admetos (Alkestis & Admetos).

Apollo oefent het beroep van herder ook ‘voor eigen rekening’ uit. De pasgeboren Hermes stal eens Apollo’s kudde. Toen deze de schelmerij ont-dekte, gaf Hermes hem als gebaar van verzoening de door hem uitgevonden lier ten geschenke. Het werd het geliefde instrument van Apollo. Overigens zou Hermes ook nog de fluit hebben uitgevon-den en aan Apollo geschonken. Dit snerpende instrument beviel Apollo minder. De overmatige appreciatie ervoor zou het ongelukkige einde van Marsyas en de ezelsoren van Midas tot gevolg hebben.

De verhalen rond de muziekinstrumenten sluiten aan bij een van de belangrijkste functies van Apollo: het beschermheerschap van de schone kunsten, in het bijzonder de muziek en de poëzie. Apollo woont op de Parnassos of op de Helikon bij Delphi, waar hij de Muzen voorgaat in het beoefenen van muziek en dichtkunst. De lauwerkrans is een verwijzing naar zijn superioriteit op dit terrein.

Opmerkelijk genoeg zijn van Apollo verscheidene uitgesproken ongelukkige liefdesverhou-dingen overgeleverd. De Sibylle van Cumae en Kassandra hebben zich niet aan hem willen geven. Het meisje Marpessa, gesteld voor de keuze tussen de god Apollo en de sterfelijke Idas, koos voor Idas omdat ze bevreesd was later, in haar ouderdom, door de eeuwig-jeugdige Apollo in de steek te worden gelaten. Een andere ongelukkige liefde is die voor de nimf Daphne. Ook de liefdesverhouding met Koronis (Asklepios) had een tragisch einde. Toch is van hem een aantal zonen en dochters bekend: zoals gemeld beviel Koronis van Asklepios, uit een verhouding met Priamos’ vrouw Hekabe werd Troilos gebo-ren. Aristaios is een kind van de nimf Kyrene, op wie Apollo verliefd werd toen hij haar een leeuw zag bedwingen. Verder geldt hij als de vader van Tenes, die door Achilleus werd gedood.

Ook zijn liefdes met jongens hadden een onge-lukkig verloop. Hij had een relatie met de Spartaanse koningszoon Hyakinthos, die de jaloezie opwekte van Zephyros, de Westenwind. Toen Apollo en Hyakinthos het discuswerpen beoefenden, liet Zephyros een door Apollo geworpen discus uit zijn baan vliegen en tegen het hoofd van Hyakinthos slaan. De beminde Kyparissos verloor hij, toen hij het tamme hert dat de jongen altijd vergezelde, tijdens de jacht per ongeluk had getroffen: Kyparissos liet zich in zijn verdriet door Apollo in een cipres transformeren.

Zoals Artemis in de loop van de eeuwen is gelijkgesteld aan de maangodin Selene, wordt Phoibos Apollo in de antieke cultuur veelal geassimileerd met de zonnegod Helios die, terwijl hij de maangodin Artemis/Selene voor zich uit drijft, op zijn zonnewagen dagelijks zijn baan door het luchtruim beschrijft. In deze traditie, die van invloed is geweest op de literatuur en beeldende kunst tot in de nieuwe tijd, is hij ook de bestuurder van de zonnewagen en de vader van Phaëton.

Het vaste epitheton ‘phoibos’ (stralend, schitterend) drukt vermoedelijk uit hoe Apollo in de Griekse gedachtewereld wordt voorgesteld als de meest glanzende en edele van de Olympische goden. Dat geldt niet slechts in letterlijke zin vanwege zijn gelijkstelling met de zon: hij is de belichaming van de schoonheid, beheersing, maatvoering en harmonie en staat aldus tegenover het kwaad en het onrecht en ook tegenover duistere vervoering.

In het Oosten wordt hij met een leeuw afgebeeld, welk dier de zon symboliseert. Behalve op Delos, waar een rij leeuwen de heilige weg flan-keert, is de associatie van dit dier met Apollo niet in het Westen bekend. In de oudheid zijn de raaf (vogel van de waarzeggers) en de griffioen (symbool van de zon) Apollo’s vaste begeleiders.

Uit Thebe en Delphi zijn de oudste Apollo-beeldjes bekend: bronzen staande mannen (kouroi), te dateren aan het begin van de 7e eeuw; er moeten duizenden van zulke figuren in de Apollo-heiligdommen zijn geweest; daarnaast waren er ook grotere beelden en reliëfs. Het houten cultusbeeld in Amyklai van 13 meter hoog is ons van munten bekend.

De oudste voorstelling (ca. 650 v.C.) van de trias Apollo, Artemis en Leto is een beeldengroep in bronsblik om een houten kern (‘sphyrelaton’) uit Dreros, nu in Iraklion (Kreta). Apollo is met zijn 80 cm tweemaal zo groot als de twee godinnen. Op een metope uit Selinous (Sicilië) ca. 550 v.C. houdt Apollo de lier vast, terwijl Artemis een boog draagt; de in het midden staande Leto heeft geen attributen. De roof van de drievoet prijkte op de frontons van de tempel in Delphi en van het Schathuis van Syphnos aldaar (beide late 6e eeuw).

Van de mythologische verhalen betreffende Apollo vinden we vanaf de 7e eeuw de conflicten voorgesteld, klaarblijkelijk uitdrukking van het belang dat aan dit gewelddadige, maar als ordenend ervaren aspect werd gehecht. We herinneren aan de roof van de drievoet door Herakles, de strijd met de Python en met Tityos en de dood van de Niobiden, alle voorgesteld op vazen. In reliëfsculptuur treedt Apollo vanaf eind 6e eeuw op als deelnemer aan de Gigantomachie (Gigan-ten). Pheidias beeldde de Niobiden af op de troon van het cultusbeeld van Zeus in Olympia na 430 v.C. Voorts presideert Apollo in het westelijke gevelveld van de Zeus-tempel in Olympia over de strijd tussen Lapithen en Kentauren. Hij is hier als het ware de beste zoon van zijn vader, die in het oostelijke gevelveld zélf centraal staat en wiens orders Apollo voorbeeldig uitvoert.

De lier komt vanaf ca. 650 v.C. voor. Op een aardewerken mengvat uit Melos ment Apollo, al spelend, een vierspan. Vaak draagt hij wapens en lier tegelijk, hetgeen volgens de filosoof Herakleitos (ca. 500 v.C.) blijk gaf van de eenheid van de tegenstellingen. Muziek van Apollo’s lier gold voor de Olympische goden als stemmingverhogend.

In de beeldhouwkunst is Apollo vanaf de 4e eeuw de canon van de jeugdig-mannelijke schoon-heid (naast Dionysos en Hermes). Vaste attributen zijn lier, pijl en boog, soms ook drievoet, omphalos (een bijenkorfvormig voorwerp overdekt met een net van grofgesponnen woldraden) en phoenix (een heilige vogel). De lichaams-vormen zijn slank-viriel, gewoon voor een bijna volwassen jongen, in onze ogen soms week. Praxiteles laat de god in verschillende aspecten van zijn wezen zien: Muzen-leider (Musagetes), doder van de Niobiden, die rust na gedane arbeid (de zgn. Lykeios vanwege de opstelling in het Lykeion te Athene en op grond van de associatie met de wolf, lykos) en – zeer onschuldig en wreed tegelijk – als doder van een hagedis (Sauroktonos). Apollo krijgt op die manier menselijke trekken. Genoemde modellen blijven maatgevend voor de hellenistische en Romeinse tijd. Vanaf het hellenisme is er voorts een toenemende aandacht voor de liefdesavonturen (Daphne, Kyparissos) in mozaïek, schilderkunst en reliëf.

De Apollo Belvedere (Vaticaan), een kopie uit de tijd van Hadrianus van een werk van Leochares ca. 330 v.C., heeft sinds de ontdekking eind 15e eeuw grote invloed uitgeoefend op de vormgeving van het mannelijk naakt, bijvoorbeeld in het werk van Michelangelo en Dürer, en wordt als drager van de kwintessens van de Griekse kunst opgevoerd in de geschriften van Winckelmann. Zijn dreigende houding werd door laatstgenoemde in verband gebracht met de strijd tegen de Python; ze drukt echter alle bovengenoemde functies tegelijk uit.

De Romeinse Apollo bezit alle genoemde eigenschappen. In de oudste cultus (Cumae 6e-5e eeuw, Rome 431 v.C.) ligt het accent op zijn medische kunnen. Augustus wijdt aan de god een tempel op de Palatijn, omdat deze hem persoonlijk zou hebben geholpen in de slag bij Actium 31 v.C.

In de middeleeuwen heeft Apollo een goede reputatie en valt hij niet – anders dan bijv. Aphrodite en Artemis – ten offer aan ‘negatieve allegorieën’. In de 14e-eeuwse Ovide moralisé wordt het doden van de Python vergeleken met het verslaan door Christus van de duivel. Zijn heilige vogel Phoenix is een allegorie van de verrezen Christus. In traktaten wordt Apollo opgevoerd als de personificatie van de waarheid. Een aantal afbeeldingen en beschrijvingen van Apollo Medicus herinnert aan zijn associatie met de geneeskunst. In de astrologie van die tijd speelt hij een belangrijke rol. Ook zijn relatie met de Muzen en met de kunsten blijft behouden.

Rafaël grijpt op deze tradities terug als hij in de Vaticaanse Stanza della Segnatura 1509-10 Apollo driemaal afbeeldt: te midden van de Muzen op de Parnassos, als standbeeld dat zich verheft achter de filosofen, onder wie Plato en Aristoteles, en bij het villen van Marsyas, een scène die staat voor de overwinning van de geest op het aardse. Een van de pauselijke vertrekken in de Engelenburcht te Rome bevat een cyclus met Apollo-voorstellingen van Perino del Vaga en Domenico Zaga 1547-48. Tien fresco’s in de Villa Aldobrandini te Frascati 1616-18 van Domenichino (nu merendeels in de National Gallery Londen) beelden het leven van Apollo uit. In de loop van de eeuwen brengen veel schilders het thema van Apollo en de hem toegewijde Muzen in beeld: o.a. Lotto 1530, Maarten van Heemskerck ca. 1555-60, Maarten de Vos ca. 1590-95 (Kon. Musea voor Schone Kunsten Brussel), Poussin ca. 1625, La Fosse 1647-49, Amigoni 1722-23 in Schloss Schleissheim in Beieren en Mengs 1761 in de Villa Albani te Rome. In het park van de Hermitage te Bayreuth legde Rantz rond 1718 een Parnassus-complex aan met Apollo, de Muzen en Pegasos.

Ook zonder de Muzen is Apollo, veelal met lier, tot in onze tijd in talloze afbeeldingen beschermheer van de kunsten. Enkele voorbeelden: de plafondschilderingen van Bayeu ca. 1785 in het Spaanse paleis El Pardo bij Madrid en die van Besnard 1911 in de Comédie Française te Parijs.

Apollo op zijn zonnewagen, dikwijls in gezelschap van de godin van de dageraad Eos, soms Artemis als maangodin voor zich uit drijvend, is onderwerp van veel plafond- en wandschilderingen in paleizen. Enkele voorbeelden: Peruzzi 1511 in de Villa Farnesina te Rome; Romanino 1531-32 in het Castello Buonconsiglio te Trente; Albani 1609 in het Palazzo Verospi te Rome; Amigoni 1716-17 in Schloss Nymphenburg te München; G.B. Tiepolo 1740 in het Palazzo Clerici te Milaan; Crosato 1753 in de Ca’ Rezzonico te Venetië. In de Nederlanden is er Jacob van Campen ca. 1647- 51 in de Oranjezaal van het Huis Ten Bosch te Den Haag.

Paus Urbanus viii Barberini liet Apollo-symbolen, zoals de bijen (uit zijn wapen), lauriertakken en de zon, aanbrengen op de zuilen van het baldakijn over het hoofdaltaar van de Sint-Pieter te Rome door Bernini 1626-27. Behalve deze relatie met de antieke zonnegod zag hij een verbinding met de zuilen van Herakles: deze stonden voor de verbreiding van het katholieke geloof buiten het door die zuilen gemarkeerde gebied.

De speciale relatie van de Zonnekoning Lodewijk xiv met de zonnegod maakt dat Apollo een prominente plaats inneemt in de decoratieve schema’s van het paleis en het park te Versailles. Hij rijst met zijn gespan op uit een van de centrale bassins (Tuby ca. 1668-71) en hij wordt elders in het park, in het Bosquet des Bains d’Apollon, na het beschrijven van zijn baan verzorgd door de godin Thetis en de haren (Girardon/Regnaudin 1666-72).

Voor het overige hebben uitbeeldingen van Apollo in de kunst van de nieuwe tijd overwegend betrekking op de Sibyllen, zijn muzikale tweestrijd met Pan (Midas) en met Marsyas, en zijn liefdesgeschiedenissen met Daphne en Koronis (Asklepios).

De fatale afloop van de verhouding met Hyakinthos is onderwerp van een in 1546 begonnen, maar onvoltooid gebleven beeldhouwwerk van Cellini en doet in de schilderkunst zijn intrede met fresco’s van Annibale Carracci ca. 1600 en Domenichino ca. 1603, beide in het Palazzo Farnese te Rome. Daarna volgen werken van o.a. Rubens ca. 1636 en G.B. Tiepolo ca. 1753. De laatste omhelzing van de twee gelieven, het sterven van Hyakinthos of de bewening is in de 19e eeuw onderwerp van o.m. een beeld van Bosio ca. 1825, een fresco van Appiani 1814 voor de Villa Reale te Milaan (thans in de Brera aldaar) en schilderijen van Réattu 1818-24 en Broc (eerste helft 19e eeuw, in het museum te Poitiers). In dezelfde geest is er een schilderij van Dubuffe 1821 van Apollo en Kyparissos.

Cambiaso 1544 (fresco in het Palazzo della Prefettura te Genua), Sandrart ca. 1650, Turner 1811, Delacroix 1853 (plafondschildering in de Galerie d’Apollon in het Louvre), Moreau 1885 en Rodin ca. 1895 beelden, in navolging van Kallimachos, de strijd met de Python uit. Een grote groep met Apollo en de Python is rond 1895 in een park te Buenos Aires opgetrokken als monument ter ere van de Argentijnse president Sarmiento. Apollo als herder is geschilderd door o.a. Albani 1625-30, Schick 1808 en Koch 1835, en gebeeldhouwd door Thorwaldsen 1838-40 aan de Villa Carolina van de familie Torlonia te Castel Gandolfo.

Als god van de kunsten en met name van de dichtkunst is Apollo door de eeuwen heen wel veel aangeroepen, maar slechts zelden is hij hoofdpersoon van een dichtwerk. Uit de oudheid zijn te noemen een homerische hymne 7e eeuw v.C. en een hymne van Kallimachos 3e eeuw v.C., uit de nieuwe tijd gedichten van o.a. Keats 1815 en Shelley 1824. Sachs schreef een ‘Fastnachtspiel’ Gott Apollo mit Fabius 1551, Marivaux het stuk Le triomphe de Plutus 1728, waarin Plutus Apollo de liefde ontsteelt, Giraudoux de komedie L’Apollon de Bellac 1942 over Apollo als mannelijk schoonheidsideaal. Helmers 1801 bezingt de god van de kunstenaars naar aanleiding van de Apollo Belvedere. Nietzsche behandelt de tegenstelling tussen Apollo en Dionysos in Die Geburt der Tragödie aus dem Geiste der Musik 1872. Apollo’s gestalte wordt geëvoceerd in een enkele roman (bijv. Vestdijk, De verminkte Apollo 1952). De Movo-tapes van A.F.Th. (van der Heijden) 2003 gaat o.m. over Apollo die zijn naam aan de nasa verkoopt.

Muzikale bewerkingen van de Apollo-stof zijn er al in de vroege Engelse ‘masques’: Campion 1607, Jonson 1622, maar ook nog Yates/Potter 1765. In de Italiaanse traditie is er een veel getoonzet pastorale-libretto van Lemene: o.m. Badia 1692, Bernasconi 1723 en Galuppi 1734. Mozart componeerde in 1767 zijn Apollo et Hyacinthus naar een Latijnstalige tekst van Widl. Het is een van de vele muziektheaterwerken over de liefdesverhoudingen van de god. We noemen nog Volpe/Aureli 1663, Destouches/Houdar de la Motte 1697 en Pugnani/Cigna Santi 1771. In de 20e eeuw noemen we enkele naar thema en vorm zeer uiteenlopende werken: een ballet van Strawinsky 1928, een stuk voor piano en strijkers van Britten 1939, een opera van Holewa 1967 en een van Kovach 1972 (libretto van de componist naar Giraudoux).