Van Alexander tot Zeus

Door Eric Moormann & Wilfried Uitterhoeve

Gepubliceerd op 08-03-2017

Erinyen

betekenis & definitie

Erinyen (Lat. furiae, ook wel Dirae, Ned. Furiën) zijn onderaardse wraakgodinnen, geboren uit het bloed dat na de ontmanning van Ouranos (Kronos) op de aarde (Gaia) druppelde. Ze maken dus deel uit van de voor-Olympische godengeneratie. Volgens een andere overlevering zijn zij dochters van Nyx (de Nacht). Hun aantal blijft voorshands onbepaald, maar wordt sinds een vermelding bij Euripides gesteld op drie, die later namen krijgen: Alekto, Teisiphone en Megaira.

Ze kastijden degenen die de orde der dingen schenden. In het bijzonder maken ze meedogenloos jacht op degene die een moord heeft gepleegd, zeker als het gaat om een moord op ouders of andere verwanten. Wat ook de drijfveer of rechtvaardiging is geweest, als gemene slangen achtervolgen ze de betrokkene, drijven hem tot waanzin of zorgen ervoor dat andere stervelingen wraak op hem nemen. Zo laten ze de koningin van Kalydon, Althaia, in een vlaag van blinde woede het leven beëindigen van haar zoon Mele-agros, nadat deze zijn ooms heeft gedood, en achtervolgen ze Alkmaion na de moord op zijn moeder Eriphyle.

Uiterst fel jagen ze Orestes voor zich uit, die toch op aanwijzing van Apollo zijn moeder Klytaimnestra heeft gedood, zoals we weten uit Euripides’ Orestes. In het derde deel van Aischylos’ Orestes-trilogie, Eumeniden, zijn zij het schrikwekkende koor dat Orestes geen gemoedsrust gunt. In het genoemde stuk van Euripides wordt de hoofdpersoon door hen op de rand van de waanzin gebracht. Aischylos schildert hoe Orestes door Apollo in bescherming wordt genomen tegen de Erinyen en hoe hij ten slotte door de Atheense juryrechtbank de Areiopagos wordt vrijgesproken dankzij de doorslaggevende stem van de godin Athena. De benaming ‘Eumeniden’ (goedgezinden) is hetzij een eufemisme waarmee de boze krachten van de Erinyen worden bezworen, hetzij – zo bij Aischylos – een uitdrukking van de uitschakeling van deze boze krachten, nu de rechtspraak in de plaats is getreden van de blinde kastijding door de Erinyen.

In de antieke verbeeldingswereld wordt het verblijf van de Erinyen van oudsher gesitueerd onder de aarde. Naarmate zich een notie vormt van een ‘hiernamaals’ waarin zielen worden ge-straft, gaan de godinnen der wrake daarin functioneren. Zo schrijft Vergilius dat ze in de Tartaros de zielen geselen en verschrikken.

In de vroege Griekse kunst is te zien hoe de moor-denaar in gewetensnood wordt gebracht door de vermoorde zelf, die als slang wordt afgebeeld: op vazen uit de 6e eeuw v.C. zien we Eriphyle als slang Alkmaion belagen, en Klytaimnestra in dezelfde gedaante Orestes in het nauw drijven. Als vanaf de 5e eeuw, naar is aan te nemen onder invloed van Eumeniden van Aischylos, die functie toevalt aan de Erinyen, die nu als personages worden gedacht, dragen ze slangen in de hand of in hun haar. Aldus belagen ze meestal Orestes. In de Romeinse kunst zijn ze op sarcofagen soms afgebeeld in samenhang met het Meleagros/Althaia-verhaal. Op Italische vazen treden ze op als straffers in de onderwereld, in samenhang met onder meer Sisyphos en Ixion.

In de 13e-eeuwse Roman de la rose van Jean de Meun en Guillaume de Lorris treden de Erinyen in gekerstende vorm op als uitvoersters van de helse straffen. In het Inferno-deel van Dantes Divina Commedia ca. 1315 bewaken de angstwekkende, monsterlijke Erinyen de poort van Dis. In de literatuur van de nieuwe tijd worden ze vooral geëvoceerd door Engelse dichters, onder wie Drayton 1627, Lawrence 1916 en Aldington 1924. Als wraakzuchtige Furiën kunnen ze in tal van stukken worden ingevoegd. Gluck 1761 doet dat in een Don Juan-ballet 1761, Rameau/Pellegrin in de opera Hippolyte et Aricie 1733, Goethe in het tweede deel van Faust 1828. Een opvallende ex-pressie is een toneelstuk 1873 van Leconte de Lisle, met muzikale intermezzi van Massenet. Het door Dante beschreven tafereel is geïllus-treerd door o.a. Botticelli ca. 1485, Flaxman ca. 1792, Blake ca. 1825 en Rauschenberg 1960. Op een schilderij van Füssli 1821 is de verdrijving van Alkmaion door de Erinyen voorgesteld. Rond de voorlaatste eeuwwisseling treden de Erinyen, wrekend of dreigend, enkele malen naar voren in schilderwerken van Oostenrijkse en Duitse symbolisten: Böcklin 1870, Stuck 1891, Klimt 1907 (plafondschildering op het thema ‘recht en rechtswetenschap’ in de hal van de universiteit te Wenen).