Van Alexander tot Zeus

Door Eric Moormann & Wilfried Uitterhoeve

Gepubliceerd op 08-03-2017

Orestes

betekenis & definitie

Orestes, zoon van Agamemnon en Klytaimnestra; broer van Elektra en Iphigeneia. Nadat Agamemnon bij zijn terugkeer na de val van Troje is omgebracht door Klytaimnestra en haar minnaar Aigisthos, wordt Orestes, dan nog een kind, door Elektra in veiligheid gebracht bij zijn oom Strophios, koning van Phokis. Volwassen geworden begeeft hij zich met zijn vriend Pylades, in alle verhalen en tragedies zijn metgezel, naar Argos. Hij ontmoet er bij het graf van Agamemnon zijn zuster Elektra, die is blijven uitzien naar de terugkeer van haar broer. In opdracht van Apollo, name-lijk op basis van een orakelspreuk in Delphi, voltrekt hij de wraak door Klytaimnestra en Aigisthos te doden. Na deze moedermoord wordt hij on-danks het feit dat de opdracht van Apollo kwam, door de Erinyen opgejaagd en tot waanzin gedreven. Het baat hem niet dat hij bij de Omphalos te Delphi (de heilige steen die het midden van de aarde markeert) bescherming zoekt en dat hij door Apollo van de moord wordt gezuiverd. Uiteindelijk vindt hij vrede wanneer hij door Apollo van zijn schuld wordt verlost of door deze naar een rechtbank te Athene, de Areiopagos, wordt gezonden, waar hij wordt vrijgesproken dankzij de door Apollo gehouden pleitrede en een beslissende stem te zijnen gunste van de godin Athena.

Euripides verhaalt in Iphigeneia bij de Tauriërs en Andromache de verdere lotgevallen van Orestes. Als boetedoening moet hij in Taurië het houten beeld van Artemis ophalen. Daar ontmoet hij zijn zuster Iphigeneia, die hem met de roof van het beeld helpt. Jaren later begeeft hij zich naar het hof van Phthia, waar Achilleus’ zoon Neoptolemos leeft met zijn echtgenote Hermione en zijn bijzit/slavin Andromache. Hermione, dochter van Menelaos en Helena, was Orestes ooit als vrouw beloofd. Orestes doodt Neoptolemos in Delphi, waar deze op dat moment verblijft. Omdat hij door die moord niet naar Phthia kan terugkeren, neemt hij de wijk naar Argos, waar hij de rest van zijn leven met Hermione aan zijn zijde over Argos en volgens sommigen ook over Sparta regeert.

De moord op Klytaimnestra en de zwerftocht vóór de vrijspraak door de Areiopagos zijn onder-werp van het tweede en derde deel van Aischylos’ Oresteia-trilogie, de Choëphoroi (Offerende vrou-wen: Elektra en haar dienaressen, die aan het begin van de tragedie op het graf van Agamemnon een offer brengen) en de Eumeniden. In de Choë-phoroi handelt Orestes in opdracht van Apollo en daarom zet hij zijn innerlijke twijfel opzij. Hij ont-hult zijn identiteit aan Elektra en krijgt toegang tot het paleis door zich voor te doen als boodschap-per van het overlijden van Orestes. Hij doodt achtereenvolgens Klytaimnestra en Aigisthos en ziet zich dan prompt opgejaagd door de Erinyen. In de Elektra-tragedies van Sophokles en Euripides wordt hetzelfde stramien gevolgd, maar er is meer plaats ingeruimd voor Elektra als drijvende kracht. In Aischylos’ Eumeniden wordt Orestes meedogenloos achtervolgd door de Erinyen (opgehitst door de schim van Klytaimnestra), maar in bescherming genomen door Apollo en naar Athene geleid, waar de godin Athena een rechtbank bijeenroept om te oordelen over de daad van Orestes. De zaak eindigt, met de beslissende stem van Athena ten gunste van Orestes, in vrijspraak. De Erinyen worden tevredengesteld, krijgen een heiligdom en leven als goedgezinde, vreedzame wezens (‘Eumeniden’) verder.

Euripides schetst in Orestes diens geestelijke ontwrichting na het plegen van de moorden: om de geschokte bewoners van Argos gunstig te stem-men beraamt hij een moord op Helena, die immers de inzet is geweest van de catastrofale Grieks-Trojaanse oorlog. Anders wordt hij door Euripides ten tonele gevoerd in Andromache: hij is er de koele beramer van de moord op Neoptolemos.

In de literatuur van de nieuwe tijd treedt Orestes uiteraard op in bewerkingen van Andromache en Iphigeneia bij de Tauriërs, daarnaast in de toneelstukken waarin de moedermoord wordt behandeld en waarin, veelal in aansluiting op Sophokles’ Elektra, de aandacht valt op Elektra of Klytaimnestra. Soms richt de actie van Orestes zich in de eerste plaats tegen Aigisthos, zodat, conform de smaak van de tijd, het aspect van de moedermoord enigszins kan worden teruggedrongen: bijv. Crébillon 1708 en Voltaire 1750, stukken die invloed hebben gehad op Duitse toneelschrijvers als Bodmer 1760 en Italiaanse als Alfieri 1786. In al zulke verhaallijnen is Orestes de titelfiguur in een beduidende reeks opera’s, van Perti/Bergamori 1685 en Händel/Barlocci 1734 tot Thys/Scribe 1844 en nog Krenek 1930.

Pas in de 19e en 20e eeuw grijpt men terug op Oresteia van Aischylos: bijv. een gedicht van Lan-dor 1837, een toneelstuk van Leconte de Lisle 1872 (Les Erinnyes), het gedicht The Tower beyond Tragedy van Jeffers 1924, bewerkt tot een toneelstuk 1950/51, het toneelstuk The Family Reunion van Eliot 1939, Les Mouches van Sartre 1943 en L’Ores-tie 1945 van Bataille. De Orestes van Sartre pleegt zijn schanddaad zonder persoonlijke betrokkenheid, omdat voor hemzelf toch niets vaststaat en zijn omgeving er geen lering uit zal trekken. Claus bewerkt in 1976 Euripides’ drama met veel vrij-heden en komische elementen, waarbij alleen de oorspronkelijke intrige bewaard is gebleven.

Ook in de muziekgeschiedenis vanaf het einde van de 19e eeuw gaat het meestal om de Oresteia-trilogie. De Lara realiseerde een symfonische trilogie 1890. Boito 1892 en Debussy 1909 kwamen tot niet meer dan aanzetten, maar o.a. Tanejew 1895 en Milhaud 1919 en 1927 (naar een vertaling van Paul Claudel) brachten trilogieën tot stand. Toneelmuziek bij of operabewerkingen van delen van de trilogie zijn er van o.a. Badings 1954 (een ‘radio-opera’), Boulez 1955 (ook deze naar Claudels vertaling) en Birtwistle 1981.

Diepenbrock 1920 schreef muziek voor Sopho-kles’ Elektra, Xenakis 1965-66 doet in een stuk voor gemengd koor en instrumentaal ensemble de trilogie van Aischylos herleven.

In de beeldende kunst komt de moedermoord vanaf de 3e eeuw v.C. voor. De uitbeeldingen gaan terug op Aischylos. Etruskische askisten en Romeinse sarcofagen uit de keizertijd zijn de meest gebruikte media. De vervolging door de Erinyen komt vanaf de 5e eeuw op Attische vazen en Etruskische spiegels voor. De uiteindelijke vrijspraak op de Areopaag vinden we nauwelijks voorgesteld.

In de nieuwe tijd is Orestes betrekkelijk zelden thema voor de beeldende kunst geweest. Lastman 1614 (Rijksmuseum Amsterdam) en Moeyaert 1647 beelden uit hoe Orestes en Pylades in het land van de Taurïers worden voorgeleid en in edele wedijver strijden om zich op te offeren. Hun voorgeleiding is ook voorgesteld door West 1766. De Chirico geeft aan een reeks schilderijen vanaf 1922 tot in de jaren zeventig, met daarop twee torso’s in een omgeving met antieke ruïnes, de titel ‘Orestes en Pylades’ mee. Het thema van Orestes’ achtervolging door de Erinyen wint in de 19e eeuw aan frequentie: Bouguereau 1862, Moreau 1891, Stuck 1905.