Teut betekenis & definitie

slang voor ‘dronken, aangeschoten’. Wellicht van een gewestelijk woord voor ‘ver- sufd’. Het WNT vermeldt al een vindplaats in een klucht uit 1665.

Een gabber was zó teut... (Jan Mens: Er wacht een haven,1950)

Ach, jij, je bent hartstikke teut, zei ze. (Jan Wolkers: Gesponnen suiker, 1963)

Ik ben zelf teut maar niet zo teut of ik kan mijn vriend Ebbo Hartman, de componist Ebbo Hartman, door deze grauwe jungle van bedden en schimmen nog naar zijn krib begeleiden. (Theun de Vries: Wieken tegen tralies, 1982)

Ik weet van voren niet eens meer dat ik van achteren leef. Ik ben helemaal teut. (Bert Hiddema: Wiener Bloed, 1986)

‘Hij was hartstikke grappig, erg beleefd en altijd teut’, zegt de advocaat die hem verdedigde. (Esquire, april, 1991)

In een akte van de opera ‘La Traviata’, op het feest bij Viola, was ik behoorlijk teut. (Albert Mol:

Breek me de bek niet open, 1993)

Misschien willen we alleen maar seks met mannen als we teut zijn. (HP/De Tijd, 01/07/94)