Kop betekenis & definitie

1. de- is eraf, het begin is er; er is aangeheven (bijv. een lied). Bargoens.

2. een - als een gymschoen hebben, er niet uitzien; lelijk zijn. Jeugdtaal jaren tachtig en negentig. Vgl. een gezicht hebben als het achterbalkon van een tram.

Zijn drie vrienden kijken. Maar naar de verkeerde. ‘Nee, niet die,’ zegt Raphaël. ‘Die heeft een kop als een gymschoen. Zo!’ (Nieuwe Revu, 18/01/95)

3. iemands - veranderen, iemand zo hard slaan

dat hij onherkenbaar wordt. Bargoense uitdr.

4. je stootje - tegen de lucht, het stinkt hier. Vnl. soldatenslang.
5. - af, ironisch gezegde onder straatmuzikanten wanneer er een jarige onder het publiek is. Bargoense uitdr.
6. - van de week, maandag. Rotterdamse uitdr. uit de jaren vijftig. Verouderd?
7. meer in zijn - hebben dan snot, niet dom zijn. Informele uitdr.

Als ik er met anderen over spreek vinden ze me belachelijk, maar jij hebt toch meer in je kop dan alleen maar snot. (Sal Santen: Kinderdief, 1988)

8. niet mijn - thee, mijn gading niet; dat moet ik niet. Vertaling van Engels not my cup of tea. Modieuze uitdr., m.n. onder trendgevoelige journalisten.

En toch zijn Sharpes boeken allerminst ieders kop thee. (Vrij Nederland, 20/10/84)

Ultieme popmuziek is niet mijn kop thee. (Vinyl, juli/augustus 1985)

Zij schreef een aanmoedigingsbriefje terug, ofschoon de muziek van The Cranberries niet haar kopje thee was. (Nieuwe Revu, 22/03/95)