Straf betekenis & definitie

Straf - in het algemeen een leed, dat iemand wordt aangedaan ter zake van een zich gedragen in strijd met zijn plicht. In strafrechtelijken zin een leed, iemand door de overheid aangedaan ter zake van het verrichten of nalaten van bepaalde handelingen. In den nieuweren tijd althans worden straffen in strafrechtelijken zin alleen van overheidswege opgelegd.

Men onderscheidt de straffen veelal in lijfstraffen, vrijheidsstraffen, straffen in eer en rechten en vermogensstraffen. — De straffen, die te onzent kunnen worden opgelegd, zijn als hoofdstraffen : gevangenisstraf, hechtenis en geldboete, als bijkomende straffen : ontzetting van bepaalde rechten, plaatsing in een rijkswerkinrichting, verbeurdverklaring van bepaalde voorwerpen en openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. Bij veroordeeling van een minderjarige, die tijdens de uitspraak van het eindvonnis in eersten aanleg den leeftijd van 18 jaren nog niet bereikt heeft, wordt, behoudens enkele gevallen, waarin gevangenisstraf mogelijk blijft, in plaats van de op het feit gestelde hoofdstraf, een der volgende hoofdstraffen opgelegd : plaatsing in een tuchtschool, geldboete of berisping (art. 9 Sr. ; zie ook KINDERWETTEN). — Behalve de straffen in strafrechtelijken zin heeft men ook disciplinaire straffen, ter handhaving der tucht, b.v. aan boord van een vaartuig (zie TUCHTWET), in een ambtenarencorps, in een huisgezin, in een gevangenis, enz. — Zie voor straffen, ter verzekering van de nakoming van burgerrechtelijke verplichtingen, door partijen bedongen, STRAFBEDING.