Verzekering betekenis & definitie

Verzekering - (Assurantie). Men onderscheidt twee soorten v. :

1) de schadeverzekering, waarbij de eene partij, de verzekeraar, zich verbindt aan de andere, den verzekerde, de schade of het gemis van verwacht voordeel te vergoeden, welke deze door het plaatsgrijpen van een aangewezen onzekere, toevallige gebeurtenis zal lijden, de verzekerde om harerzijds een premie te betalen (art. 246 K.);
2) de sommenverzekering, waarbij de verzekeraar zich verbindt aan de wederpartij of een derde onder bepaalde omstandigheden, waarvan het ontstaan of het tijdstip, waarop zij zullen voorkomen, onzeker is, onafhankelijk van geleden schade, een bepaalde geldsom ineens (kapitaalverzekering) of periodiek (renteverzekering) te zullen uitkeeren, waartegenover de wederpartij zich verbindt een premie in eens of periodiek aan den verzekeraar te zullen betalen. Voorbeelden van sommenverzekering zijn de levens-, ziekte- en invaliditeitsverzekering.— Zoowel bij sommenals bij schadeverzekering kunnen zoowel de verzekerden gezamenlijk (onderlinge v.) als derden als verzekeraar optreden. — Economisch beoogt de v. de schade, waaraan elk der verzekerden bloot staat, over hen te verdeelen. — Het wetboek van koophandel geeft algemeene regelen voor alle v. in artt. 246—286. Bijzondere bepalingen bevatten de artt. 287—298 voor brandverzekering, artt. 299—301 voor landbouwverzekering, artt. 692—686 voor zeeverzekering, artt. 686—696 voor v. tegen gevaren van vervoer te lande en op rivieren en binnenwateren, artt. 302—308 voor levensverzekering. Alle verzekeringen gelden als zaak van koophandel (art. 4, 100 K.). — Voor schade of verlies uit eenig gebrek, eigen bederf of uit den aard en de natuur van het verzekerde zelve onmiddellijk voortspruitende, is de verzekeraar nimmer gehouden, tenzij ook daarvoor uitdrukkelijk is verzekerd (art. 249). — Heeft de verzekerde ten tijde der v. geen belang in het verzekerde voorwerp, dan is de verzekeraar niet tot uitkeering verplicht (art. 260). — Alle verkeerde of onwaarachtige opgave, of alle verzwijging van aan den verzekerde bekende omstandigheden, hoezeer te goeder trouw aan diens zijde hebbende plaats gehad, welke van dien aard zijn, dat de overeenkomst niet of niet onder dezelfde voorwaarden zoude zijn gesloten, indien de verzekeraar v£tn den waren staat der zaak had kennis gedragen, maakt de v. nietig (art. 261). Tweede (dubbele) v. voor denzelfden tijd en voor hetzelfde gevaar, op voorwerpen, welke reeds voor hun volle waarde verzekerd zijn, is verboden op straffe van nietigheid der tweede v. (art. 262 ; zie ook artt. 266, 272, 277—279). — V. welke het beloop van de waarde of het wezenlijke belang te boven gaat (oververzekering), is alleen geldig tot het beloop van deze. Indien de volle waarde van het voorwerp niet is verzekerd, is de verzekeraar in geval van schade slechts verbonden in evenredigheid van het verzekerde tot het niet verzekerde gedeelte. Partijen kunnen echter bedingen, dat afgezien van de meerdere waarde van het verzekerde voorwerp, de daaraan overkomen schade tot het vol beloop der verzekerde som zal worden vergoed (premier-risque-verzekering; art. 263). — De v. moet schriftelijk worden aangegaan bij een akte, polis geheeten (art. 266). Art. 266 wijst aan, wat deze moet bevatten. — De verzekeringsovereenkomst bestaat, zoodra zij is gesloten, onafhankelijk van de vraag, of de polis reeds is onderteekend.

Het sluiten der overeenkomst brengt voor den verzekeraar de verplichting mede om de polis binnen den bepaalden tijd te onderteekenen en aan den verzekerde uit te leveren (art. 267). Om van het sluiten der overeenkomst te doen blijken, wordt bewijs bij geschrifte geëischt. Indien echter een begin van schriftel. bewijs aanwezig is, zijn ook alle andere bewijsmiddelen toegelaten. Ook kunnen de bijzondere bedingen en voorwaarden, vóórdat de polis is uitgereikt, door alle bewijsmiddelen worden bewezen, met dien verstande echter, dat van de vereischten, welker uitdrukkelijke vermelding in de polis, op straffe van nietigheid, in sommige v. door de wet gevorderd wordt, schriftelijk moet blijken (art. 268). — Indien de v. door tusschenkomst van een makelaar in assurantie gesloten is, moet de onderteekende polis binnen 8 dagen na het sluiten der overeenkomst worden uitgereikt (art. 260). — Hij die, van een ander order ontvangende tot het laten doen van v., deze voor zijn eigen rekening houdt, geldt zelf als verzekeraar op de aan hem opgegeven voorwaarden en bij gebreke van opgave op zoodanige voorwaarden, waarop de v. had kunnen worden gesloten ter plaatse, alwaar hij den last had moeten uitvoeren en, indien deze plaats niet is aangeduid, te zijner woonplaatse of op de naastbijgelegen beurs (art. 262). — Bij verkoop en allen eigendomsovergang van verzekerde voorwerpen, loopt de v. ten voordeele van den kooper of nieuwen eigenaar, zelfs zonder overdracht, voor zoover betreft schaden, opgekomen, nadat het voorwerp ten bate of schade des koopers of nieuwen verkrijgers is gekomen, alles behoudens beding van het tegendeel tusschen verzekeraar en verkooper. Indien de kooper of nieuwe eigenaar weigert de v. over te nemen en de oorspronkelijke verzekerde nog belang in het verzekerd voorwerp behoudt, blijft de v., in zoo verre, in zijn voordeel loopen (art. 263). — Artt. 264—267 regelen v. voor rekening van een derde gesloten. — V. kan tot voorwerp hebben alle belang, dat op geld waardeerbaar, aan gevaar onderhevig en bij de wet niet is uitgezonderd (art. 268). — Indien de schade, tegen welke verzekerd is, reeds op het tijdstip van het sluiten der overeenkomst bestond, is de verzekering nietig, indien de verzekerde of wie voor hem heeft doen verzekeren, van het aanwezen der schade heeft kennis gedragen (art. 269). Het laatste wordt verondersteld, indien sedert het aanwezen der schade zooveel tijd is verloopen, dat, de omstandigheden in aanmerking genomen, de verzekerde daarvan had kunnen kennis dragen. In geval van twijfel staat het den rechter vrij om aan verzekerden of hun lasthebbers den eed op te leggen, dat zij, ten tijde van het sluiten der overeenkomst, van het aanwezen der schade geen kennis hebben gedragen. Wordt die eed door de partij aan de wederpartij opgedragen, dan moet de rechter dien opleggen (art. 270; vergel. artt. 697 en 698). — De verzekeraar kan hetgeen hij verzekerd heeft, zijnerzijds wederom laten verzekeren (herverzekering ; art. 271). — De verzekerde kan, na den verzekeraar bij een gerechtelijke opzegging van zijn verplichtingen voor de toekomst te hebben ontslagen, zijn belang opnieuw doen verzekeren.

In de nieuwe polis moet dan echter, op straffe van nietigheid, zoowel de vroegere v. als de gerechtelijke aanzegging worden vermeld (art. 272). — Indien de waarde der verzekerde voorwerpen niet door partijen in de polis is uitgedrukt (z.g. open polis), kan ze door alle bewijsmiddelen worden gestaafd (art. 273). Is de waarde wel in de polis uitgedrukt (z.g. getaxeerde polis), dan heeft de rechter niettemin de be-voegdheid om aan den verzekerde de nadere rechtvaardiging der uitgedrukte waarde op te leggen, voor zooverre door den verzekeraar redenen worden aangevoerd, welke gegrond vermoeden omtrent het bovenmatige der opgave doen ontstaan. De verzekeraar kan in elk geval de bovenmatigheid der uitgedrukte waarde bewijzen (art. 274; vergel. art. 619). Indien echter het verzekerde voorwerp vooraf is gewaardeerd door deskundigen, door partijen daartoe benoemd en, des gevorderd, door den rechter beëedigd, kan de verzekeraar niet daartegen opkomen, tenzij in geval van bedrog (art. 275). — Geen verliezen of schade, door eigen schuld van een verzekerde veroorzaakt, komen ten laste van den verzekeraar. Hij mag zelfs de premie behouden of vorderen, indien hij reeds begonnen had eenig gevaar te loopen (art. 276). Vergel. voor brandverzekering art. 294. — Indien verscheidene v., te goeder trouw ten aanzien van hetzelfde voorwerp zijn aangegaan en bij de eerste de volle waarde is verzekerd, houdt deze alleen stand en de volgende verzekeraars zijn ontslagen. Indien bij de eerste v. niet de volle waarde is verzekerd, zijn de volgende verzekeraars aansprakelijk voor de meerdere waarde volgens de orde des tijds waarop de volgende v. zijn gesloten (art. 277). Indien op één polis door onderscheidene verzekeraars, al ware het op verschillende dagen, meer dan de waarde verzekerd is, dragen zij allen te zamen naar evenredigheid van de som voor welke zij geteekend hebben, alleen de juiste verzekerde waarde.

Hetzelfde geldt, wanneer tenzelfden dage ten opzichte van hetzelfde voorwerp onderscheidene v. gesloten zijn (art. 278). De verzekerde mag in de gevallen der twee voorgaande artt., niet de oudste v. vernietigen om daardoor de latere verzekeraars te verbinden. Indien hij de eerste verzekeraars ontslaat, wordt hij geacht zich voor dezelfde som en in dezelfde orde in hun plaats als verzekeraar gesteld te hebben. Laat hij zich herverzekeren, dan treden de herverzekeraars in dezelfde orde in zijn plaats op (art. 279). — Het is niet ongeoorloofd om, na de verzekering van een voorwerp voor zijn volle waarde, het geheel of gedeeltelijk nog eens te doen verzekeren op de Uitdrukkelijke voorwaarde, dat de nieuwe v. alleen rechten zal geven, voor het geval en voor zoo verre de schade niet op de vroegere verzekeraars zal kunnen worden verhaald (insolvabiliteitsverzekering). Bij deze v. moeten, op straffe van nietigheid, de vroeger gesloten v. duidelijk worden omschreven (art. 280). — In alle gevallen, waarin een v. geheel of gedeeltelijk vervalt moet de verzekeraar de premie teruggeven (restorno), hetzij voor het geheel, hetzij voor zoodanig gedeelte, waarvoor hij geen gevaar heeft geloopen, mits de verzekerde te goeder trouw is geweest (art. 281). Vloeit de nietigheid voort uit list, bedrog of schelmerij van den verzekerde, dan geniet de verzekeraar de premie, onverminderd de mogelijkheid van strafvervolging (art. 282). — De verzekerde is, op straffe van schadevergoeding, verplicht alle vlijt en naarstigheid in het werk te stellen om de schade te voorkomen en te verminderen en dadelijk na het ontstaan ervan aan den verzekeraar kennis te geven. De onkosten door den verzekerde tot voorkoming of vermindering der schade gemaakt, zijn ten laste van den verzekeraar, ook indien ze, gevoegd bij de geleden schade, de verzekerde som te boven gaan of vruchteloos zijn aangewend (art. 283). — De verzekeraar, die de schade betaald heeft, treedt in alle rechten, die de verzekerde ter zake van die schade tegen derden mocht hebben (subrogatie). De verzekerde is verantwoordelijk voor elke daad, die het recht van den verzekeraar tegen die derden mocht benadeelen (art. 284).

Gepubliceerd op 17-01-2019