Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 10-01-2019

Kust

betekenis & definitie

Kust - (vgl, pl. I en II), de smalle strook land langs de zee, gedeeltelijk onder, gedeeltelijk boven het water gelegen. De kustlijn is de lijn, die de grens aangeeft tusschen land en water. Men kan onderscheiden:

1) continentale k., d. z. de k., die de vormen der ondergedoken landstreken doen uitkomen, en 2) marine k., waar sedimenten voor de oude continentaalrand liggen.

Ook onderscheidt men wel:

1) steile-en vlakke kusten, welke verdeeling niet geheel met de eerste overeenkomt. Met betrekking tot den bouw van het achterland zijn te onderscheiden:

lengtekusten, welke evenwijdig loopen met de plooien van een gebergte (Noordkust vanSpanje);

dwarsk., welke een hoek maken met het gebergte (Westkust van Klein-Azië); neutrale k.: ze zijn onafhankelijk van den opbouw van het achterland (waar tafellanden aan zee komen, of waar aangeslibd land de zee bereikt).

Het type lengtek. vertoont meest de Groote Oceaan, waarom ze wel het pacifieke type genoemd worden, terwijl de dwarsk. het atlantische k. type vertegenwoordigen. De toegankelijkheid is bij de verschillende typen zeer verschillend. De lengtek. zijn meestal over een grooten afstand gesloten en zonder groote bochten. Dwarsk. vertoonen in den regel tusschen de uitloopers der ketens, dus in de dalen, bochten, waarmee vaak een goede verbinding met het achterland gepaard gaat. Bij de neutrale k. bij tafellanden, die vaak trapsgewijze afdalen naar de zeezijde, is de toegankelijkheid zeer gering. Ze bemoeielijken het verkeer ook daardoor, dat de rivieren er door de watervallen en stroomsnelten niet bevaarbaar zijn. Aangeslibd land is meest moeilijk genaakbaar, vooral als groote riviermonden ontbreken of als er duinen voor liggen. Voorbeelden er van zijn de IJzeren Kust van Jutland, die van Les Landes, die van Z.W.-Afrika.

Door de werkzaamheid van water, wind en ijs, wordt het verloop der k. in haar fijnere vormen bepaald. Men onderscheidt dan:

a) gladde kusten, ontstaan door de opbouwende werkzaamheid der zee. Ze verloopen rechtlijnig of met groote, flauwe bochten. Tot deze zijn te brengen de duin-, de haf- en de boddenk. Is de duink. op verscheidene plaatsen doorbroken, dan kan men een buiten- en een binnenk. onderscheiden. Men heeft dan te doen met een dubbele of waddenk., zooals in het N. van ons land, in de Vendée in Frankrijk, enz.
b) bochtige k., met vaak diep in het land dringende bochten. Deze kunnen zijn lang en smal; trechtervormig en min of meer rond. Hiertoe behooren de fjorden, förden, ria’s, het Dalmatische kusttype, limans, estuarien of trechtermonden en de ronde bochten (o. a. aan de Westkust van Italië ten Z. van Napels).

— Onder kustontwikkeling kan verstaan worden de verhouding tusschen de werkelijke kustlengte en den omtrek van den cirkel, waarvan de oppervlakte gelijk is aan de oppervlakte van het werelddeel of eiland. Rohrbach teekende het eerst lijnen van gelijken kustafstand en berekende daaruit gemiddelden.

— Litteratuur: F. Hahn, Bemerkungen über einige Aufgaben der Verkehrsgeographie (Zeitschrift f. Wissenschaftliche Geographie V. 1885); F. v. Richthofen, Führer für Forschungsreisende; K. Weule, Beiträge 2. Morphologie der Flachküsten; 1891, A. Philippson, Typen der Küstenformen, 1893; G. Braun, Entwicklungsgeschichtliche Studien an europäischen Flachküsten, 1911; F. P. Gulliver, Shoreline Topography, 1899; Penck, Morphologie der Erdoberfläche II.