Grondtal betekenis & definitie

Grondtal - basis, 1) van een talstelsel: aantal eenheden, dat tot een hoogere eenheid wordt samengevat. Bijv. in het 3-tallig stelsel wordt 3 als eenheid v. d. 2e orde, 3 X 3 = 32 = 9 als eenheid v. d. 3e orde beschouwd. Men schrijft het grondtal steeds als 10, d. w. z. 1 eenheid v. d. 2e orde en 0 eenheden v. d. 1e orde; 100 stelt steeds de 2e macht van het grondtal voor, enz.

Is het grondtal n, dan heeft men, behalve 0, n 1 cijfers noodig om een willekeurig getal in het bijbehoorende (n-tallig) stelsel te schrijven. Meestal kiest men het gebruikelijke grondtal tien. — 2) van een macht: getal, dat tot een zekere macht wordt verheven, in tegenstelling tot de exponent, d. i. het getal, dat aangeeft tot welke macht het grondtal moet verheven worden. — 3) van een logarithmenstelsel: getal, dat dienst doet als grondtal van de machten, waarvan de logarithmen de exponenten zijn. Men gebruikt in den regel 2 logarithmenstelsels, n.l. a) met grondtal 10 (Briggs) (log 100 = 2, log 2 = 0,30103), b) met grondtal e = 2,71828 (bij BASIS staat bij vergissing 2,70828 afgedrukt), het stelsel der natuurlijke logarithmen, of logarithmen van Napier.

Gepubliceerd op 24-01-2019