Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 24-01-2019

Gemeenschap van goederen

betekenis & definitie

Gemeenschap van goederen - Voor zoo verre bij huwelijksche voorwaarden niet anders is bepaald, bestaat tusschen echtgenooten van het oogenblik der voltrekking van het huwelijk van rechtswege algeheele g. v. g. Deze algeheele gem. wordt daarom ook wel als Wettelijke gem. aangeduid. Bij huw. voorwaarden kan de gem. worden beperkt en zelfs geheel uitgesloten. Voor zoover dat niet is geschied, gelden steeds de bepalingen voor de algeheele g. (208 B. W.). Staande huwelijk kunnen de echtgenoten in den eens aanvaarden rechtstoestand geen wijziging meer brengen (174, 204 B. W.). — De algeheele gem. omvat, wat hare baten betreft, alle de roerende en onroerende goederen der echtgenooten, zoowel tegenwoordige als toekomstige, ook die welke zij om niet verkrijgen, tenzij erflater of schenker uitdrukkelijk het tegendeel mocht hebben bepaald (175 B. W.). Zij omvat, wat hare lasten betreft, alle de schulden, door ieder der echtgenooten, hetzij vóór, hetzij staande huwelijk, gemaakt (176 B. W.). Alle vruchten en inkomsten, benevens winst en verlies, staande huwelijk, komen ten bate en schade der gem. (177 B. W.). — De doodschulden na het overlijden van een der echtgenooten vallende, worden door diens erfgenamen alleen gedragen (178 B. W.). — De man alleen beheert de goederen der gem. Behoudens bepalingen bij huwelijksche voorwaarden gemaakt, kan hij ze verkoopen, vervreemden en bezwaren zonder tusschenkomst der vrouw.

Hij kan echter, bij wege van schenking onder de levenden, niet beschikken noch over de onroerende goederen der gem., noch over het geheel, of over een bepaald gedeelte of hoeveelheid der roerende goederen, dan alleen om aan kinderen, uit hun huwelijk gesproten, eenen stand te bezorgen. Hij mag bij wege van schenking ook over een bijzonder stuk roerend goed niet beschikken, indien hij zich het vruchtgebruik daarvan voorbehoudt (179 B. W.). Wanneer de man afwezig is of zich in de onmogelijkheid bevindt om zijn wil te verklaren, kan de vrouw de goederen van de gemeenschap verbinden of vervreemden met machtiging van den kantonrechter (180 B. W.). Bij uitersten wil kan ieder der echtgenooten alleen beschikken over het aandeel, dat hij in de gem. heeft. Heeft hij echter eenig bepaald goed uit de gem. vermaakt, zoo kan de legataris het alleen in natura vorderen, indien het aan de erfgenamen van den erflater is toebedeeld, anders heeft hij recht op uitkeering der waarde (950 B. W.). — Behoort tot de gemeenschap een aandeel in een anderen gemeenen boedel, zoo kan de man, zonder medewerking der vrouw scheiding daarvan vorderen of die mede tot stand brengen (1116 B. W.). — Faillissement van een in eenige gemeenschap van goederen gehuwden echtgenoot geldt tevens als faill. van die gemeenschap. De daartoe behoorende baten strekken ten behoeve van de schuldeischers dier gemeenschap (63 F.; zie ook artt. 22, 61 en 105 dier wet). — De gem. wordt van rechtswege ontbonden:

1) door den dood van een der echtgenooten;
2) door het aangaan van een huwelijk door den eenen echtgenoot bij vermoedelijk overlijden van den anderen;
3) door echtscheiding;
4) door scheiding van tafel en bed;
5) door scheiding van goederen (181 B. W.).

— In geval van vermoedelijk overlijden van den eenen echtgenoot kan de andere, indien hij het verkiest, de bestaande gemeenschap gedurende 10 jaren laten voortduren en verhinderen, dat de erfgenamen hunne rechten doen gelden. Hij kan echter ook zijn aandeel in de gemeenschap tot zich nemen (539 B. W.). — Na overlijden van een der in eenige gem. gehuwde echtgenooten, is de langstlevende verplicht, indien er minderjarige kinderen zijn, binnen 3 maanden een boedelbeschrijving doen opmaken, bij gebreke waarvan de gem. voortduurt ten voordeele der minderjarigen, maar nimmer te hunnen nadeele (182 B. W.): zie VOORTGEZETTE GEM. Na ontbinding der gem. wordt de gem. boedel bij helfte verdeeld tusschen den man en de vrouw of hunne erfgenamen, zonder aanzien der zijde, van welke de goederen zijn gekomen (183 B. W.). Komt dus b. v. het geheele vermogen van ééne zijde, zoo zal de echtgenoot, die het aanbracht, bij overlijden van den ander, de helft daarvan aan de erfgenamen van den laatste moeten afstaan. In het bijzonder bij een kinderloos huwelijk (anders zijn de kinderen erfgenaam) kan dit zeer hard zijn. Vooral bij ongelijkheid van vermogen verzuime men dus niet huwelijksche voorwaarden te maken. — Bijzondere bepalingen bevatten artt. 235, 236 B. W. voor tweede of verder huwelijk ter bescherming der belangen van de kinderen uit eerder huwelijk. — De kleedingstukken, de kleinooden en de gereedschappen, behoorende tot het beroep van een der echtgenooten, benevens de boekerijen en verzamelingen van voorwerpen van kunst en wetenschap en ook de papieren of gedenkstukken, bijzonder tot het geslacht van een der echtgenooten betrekkelijk, kunnen aan de zijde, waarvan ze oorspronkelijk afkomstig waren, worden teruggevorderd tegen een prijs, in der minne of door deskundigen te bepalen (184 B. W.). — De man kan, na de ontbinding der gem., voor de schulden ervan voor het geheel worden aangesproken, behoudens zijn verhaal op de vrouw of hare erfgenamen voor haar aandeel (185 B. W.). — Na scheiding en deeling zijn de echtgenooten tegenover derden niet meer aansprakelijk voor de vóórhuwelijksche schulden van den ander (186 B. W.). — De vrouw kan na ontbinding der gem. daarvan Afstand doen en zich daardoor aan de gemeenschapsschulden onttrekken.