Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 17-01-2019

Vruchten

betekenis & definitie

Vruchten - De wet onderscheidt natuurlijke v., v. van nijverheid en burgerlijke v. Natuurlijke v. zijn die, welke de aarde uit haar zelve voortbrengt en al hetgeen de beesten opleveren of uit de beesten geboren wordt. V. van nijverheid, die uit den grond getrokken worden, zijn al hetgeen door bebouwing verkregen wordt. Burgerl. v. zijn huur- en pachtpenningen, interessen van geldsommen en verschuldigde renten (art. 558 B. W.). De v., zoowel natuurlijke als die door nijverheid worden verkregen, worden geacht een deel van den grond uit te maken, zoolang ze tak- of wortelvast zijn of aan den grond gehecht (art. 556 B. W.). De burgerl. v. worden alleen geacht een deel uit te maken der zaak, waaruit ze voortspruiten, zoolang ze niet opeischbaar zijn (art. 557 B. W.). — Het recht op de v. komt in het algemeen toe aan den eigenaar van de zaak, die de v. afwerpt, behoudens de bijzondere rechten, die derden (vruchtgebruiker, huurder) op de v. kan doen gelden. Ook de bezitter heeft recht op de v. (artt. 604, 605 B. W.). Zijn recht moet echter wijken voor dat van den eigenaar.

Hierbij moet worden onderscheiden, of het bezit te goeder of te kwader trouw is. De bezitter te goeder trouw behoeft de reeds genoten v. niet aan den eigenaar af te staan; eerst van het oogenblik der dagvaarding is hij de v. aan den eigenaar verschuldigd (artt. 604, 623, 630 B. W.). De bezitter te kwader trouw moet alle v. aan den rechthebbende afdragen (artt. 605, 623, 634, 1398 B. W.). Hetzelfde geldt voor een onwaardigen erfgenaam, die v. uit de nalatenschap heeft genoten (art. 886 B. \V.). Zie ten aanzien van hem, die ten koste van het wettelijk erfdeel is bevoordeeld, art. 974 B. W. De bewaarnemer eener zaak heeft nimmer recht op de v. (art. 1755 B. W.). Bij verkoop eener zaak zijn de v. van het oogenblik van den verkoop voor den kooper (art. 1517 B. W.; zie in verband hiermede ook art. 1551 B. W.). Bij verkoop eener erfenis heeft de kooper recht op de v. van den dood van den erflater af (art. 1574 B. W.). De v. van een gelegateerde zaak zijn ten voordeele van den legataris van den dood van den erflater af, indien de afgifte binnen het jaar nadien is geëischt of vrijwillig heeft plaats gehad. Wordt de afgifte later gevorderd, dan van den dag der vordering (art. 1006 B. W.; zie ook art. 1007 B. W.). Het geval, dat alleen de v. eener zaak worden gelegateerd, is geregeld in art. 1017 B. W. Zie voor rente verschuldigd van verschuldigde v. art. 1288, voor pandbeslag op v. art. 1186 B. W.