Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 24-01-2019

Huwelijk

betekenis & definitie

Huwelijk - Vóór de Fransche revolutie was het vooral de kerkelijke overheid, die zich het huwelijk aantrok en registers daarvan aanhield. Vooral het concilie van Trente had een uitvoerige regeling van het kerkel. huwelijk gegeven. Aan het eind der 18e en het begin dor 19e eeuw heeft de Staat in de meeste landen de regeling van het huwelijk aan zich getrokken (z.g.n. secularisatie van het huw.). Ook hier te lande. Het door de wet geregelde, z.g.n. wereldlijke of burgerlijke huw. is het eenige, dat onze wet erkent.

De bedienaar van den godsdienst, die eenige godsd. huwelijksplechtigheid verricht, vóórdat een burgerl. huw. is voltrokken, is zelfs strafbaar (449 Sr.). Verder bemoeit de wet zich met het kerkel. huw. niet. Zij beschouwt het huw., zooals zij het uitdrukt, alleen in zijn burgerl. betrekkingen (83 B. W.). — De wet erkent slechts het z.g.n. monogame huw., d. w.z. de man kan slechts met ééne vrouw, de vrouw slechts met één man door het huw. verbonden zijn (84 B. W.). Overtreding van dit voorschrift is strafbaar (237, 379 Sr. ; zie BIGAMIE). Dit standpunt nemen alle landen, waar de Christel, godsdienst heerscht, in. Toch is de monogamie niet specifiek Christelijk. Zoowel de Grieken als de Romeinen kenden slechts het monogame huw. Polygamie komt voor bij alle Oostersche volkeren en wel vooral in den vorm van polygynie (één man met meer vrouwen). Polyandrie (één vrouw met meer mannen) wordt slechts sporadisch gevonden. Ook echter waar polygamie heerscht, is zij nooit algemeen.

Zulks is ook onmogelijk met het oog op het vrijwel gelijke aantal mannen en vrouwen. Ook zijn slechts betrekkelijk weinigen in staat meer vrouwen te onderhouden. Polygamie blijft dus veelal beperkt tot de rijken. Zoo kwam ze ook voor bij de oude Germanen. — In tegensteliing met monogamie en polygamie spreekt men ook wel van een gemeenschapshuwelijk of vrouwengemeenschap, wanneer, zooals bij sommige vilde volksstammen wordt gevonden, een geheel vrij geslachtsverkeer tusschen alle mannen en alle vrouwen der stam bestaat. Van huw. kan dan echter moeilijk gesproken worden, daar dit veronderstelt een vereeniging voor het leven. Een vrouwengemeenschap wordt door sommige fantastische communisten bepleit (men denke aan Campanella’s Zonnestaat; ook Plato stond haar voor). — Wat de oudste vorm van huw. is geweest, staat niet vast. Zie ook HUWELIJKSGEBRUIKEN. — Het h. geldt voor het leven.

Ook met wederzijds goedvinden is ontbinding niet geoorloofd (263 B. W.). Behalve door den dood van een der echtgenooten (waarmede is gelijk gesteld een rechterlijke verklaring van vermoedelijk overlijden, mits door een nieuw huw. gevolgd) is echter ontbinding op grond van bepaalde feiten mogelijk door echtscheiding en ook 5 jaren na scheiding van tafel en bed (254 B. W.). — Tot het wezen van het huw. behoort de wederzijdsche verplichting tot huwelijkstrouw (168 B. W.). Schending dier trouw is de hoofdgrond voor echtscheiding (261 B. W.) en kan zelfs leiden tot strafvervolging (241 Sr. ; zie OVERSPEL). — De man is het hoofd der echtvereemging (160 B. W.) ; dit is een bepaling van dwingend recht (195 B. W.). Hij heeft het beheer over het gemeenschappelijk vermogen (179 B. W.) en, indien niet anders is overeengekomen (195 B. W.), ook over dat der vrouw (160 B. W.); zie HUWELIJKSVERMOGENSRECHT. De man oefent in den regel de ouderlijke macht uit over de kinderen (355 B. W.). De vrouw is aan haren man gehoorzaamheid verschuldigd. Zij is verplicht met den man samen te wonen en hem overal te volgen, waar hij dienstig oordeelt zijn verblijf te houden (161 B. W.). Nakoming dezer verplichtingen kan echter nooit met behulp der openbare macht worden afgedwongen. De man is van zijn kant verplicht zijn vrouw bij zich te ontvangen in het huis, dat hij bewoont. Hij is gehouden haar te beschermen en haar al hetgeen noodig is volgens zijn staat en zijn vermogen te verschaffen (162 B. W.). Wederzijds zijn de echtgenooten elkander hulp en bijstand verschuldigd (158 B. W.). Met name heeft de man met het oog op de beperkte handelingsbevoegdheid der vrouw aan deze bijstand te verkenen in rechte of aldaar voor haar te verschijnen (160 B. W.). — De echtgenooten verbinden zich over en weder door de enkele daad des huw. hun kinderen te onderhouden en op te voeden (159 B. W.). — Het huw. wordt door den ambt. v. d. B. S. voltrokken. Alvorens tot de voltrekking over te gaan, zal hij zich doen ter hand stellen :

1) de geboorte-akte van ieder der aanstaande echtgenooten ;
2) een authentieke akte, houdende de toestemming van vader, moeder enz. of wel het bij den rechter verkregen verlof, in de gevallen waarin zulks vereischt wordt; de toestemming kan echter ook bij de huwelijks-akte worden verkregen ;
3) eventueel de akte waaruit blijkt van de tusschenkomst van den kantonrechter ; 4) in geval van tweede of volgend huw. de akte van overlijden van den vorigen echtgenoot, of de akte van echtscheiding of wel afschrift van het verlof van den rechter, bij afwezigheid van den anderen echtgenoot verleend;
5) de akte van overlijden van ieder die bij leven zijn toestemming tot het huw. zou hebben moeten geven ;
6) bewijs van behoorlijke afkondiging zonder stuiting (126 B. W.). Is overlegging van geboorte- of overlijdens-akten onmogelijk, zoo kunnen ze door z.g.n. akten van bekendheid worden vervangen (127,128 B. W.).—Geen godsdienstige plechtigheden mogen plaats hebben, vóór dat de partijen aan den bedienaar van hun eeredienst hebben doen blijken, dat het huw. ten overstaan van den ambten, v. d. B. S. is voltrokken (136 B. W.). — Huwelijken in een vreemd land aangegaan, hetzij tusschen Nederlanders, hetzij tusschen Nederl. en vreemdel., zijn van waarde, indien ze voltrokken zijn naar den vorm, in dat land gebruikelijk, mits de huwelijksafkondigingen, binnen dit koninkrijk zonder stuiting hebben plaats gehad en de Nederl. echtgenooten niet hebben gehandeld tegen de bepalingen van artt. 84—104 B. W. (138 B. W.). Binnen het jaar na de terugkomst der echtgenooten op het grondgebied van het rijk, moet de huwelijksakte in het huwelijksregister van hun woonplaats worden overgeschreven (139 B. W.). — H. is volgens R.K. leer eender zeven Sacramenten. Volgens de R.K.leer heeft Christus niet enkel de onverbreekbaarheid van het huw. hersteld, maar het ook tot Sacrament verheven, zoodat alle wettige huw. tusschen gedoopten dit karakter dragen. De kerk grondt zich hierbij op Eph. 5, 22 vlg. De oudste kerkvaders o. a. Tertulianus wijzen op de heiligheid van het huwelijk en vorderen dat het gesloten wordt voor de kerk ; door Augustinus (de nupt. et concup. 1,10, n. 11) wordt duidelijk gewezen op het sacramenteele karakter; ook bij de oudste scheuringen in de kerk hield men daaraan vast. Tegenover de hervorming der 16e eeuw heeft het concilie van Trente (S.

XXIV, can. 1) dit gesanctionneerd. — Onder matrimonium r at u m verstaat het wetboek der R. K. kerk een huw. tusschen gedoopten, dat, ingeval de huwelijksact (copula carnalis) voltrokken wordt, matrimonium ratum et consummatum genoemd wordt. Onder gemengd huw. verstaat de R. K. Kerk een huw. tusschen een katholiek en een gedoopten niet-katholiek. Onder clandestien huwelijk (matrimonium clandestinum) verstaat zij een huw., dat niet gesloten wordt voor den pastoor (of zijn gedelegeerde) en getuigen, hetgeen ongeldig is.-— Het Protestantisme, dat de principieele scheiding van tweeërlei levensstaat, coelibaat en huwelijk, verwerpt, acht het h. als goddelijke instelling een normale levensbetrekking. Vandaar dat men daarbij veeleer spreekt van een inzegening of bevestiging dan van wijding van het burgerlijk gesloten huw. Voor de ontbindbaarheid van het h., zie ECHTSCHEIDING.