Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 13-12-2018

2018-12-13

Doopnaam

betekenis & definitie

Doopnaam - In de R. K. kerk de naam van een Heilige, die aan den doopeling wordt gegeven, niet slechts om in den hemel een beschermer te bezitten, maar ook om door de herinnering aan diens deugden tot een heilig leven te worden opgewekt. Het gebruik dateert uit de 3e eeuw. In den tegenwoordigen doopritus wordt de doopeling herhaaldelijk met dezen naam toegesproken. Bij Protestanten heeft men niet een afzonderlijken d. De kinderen worden vernoemd naar familieleden.

Wel doet zich het verschijnsel voor op het zendingsveld, waar heidenen bij hun overgang tot het Christendom door sommige zendelingen met bijbelsche namen vernoemd worden. Men begint hier echter met recht van terug te komen. Wat nut heeft het, dat een Indonesiër zijn gewonen naam verliest om bijv. met den Griekschen klank Philippus te worden aangeduid, die ook niet meer beteekent dan „paardevriend” ? Paulus heeft er zelf geen bezwaar tegen gehad, dat zijn bekeerlingen hun oude namen behielden, al zat daarin zelfs de naam van een heidenschen God, bijv. Hermes, Okoebe, Apollos, e. a.