Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 27-06-2020

ja

betekenis & definitie

I. bw. uitdrukking,

1. van bevestiging, toestemming of inwilliging: is er nog kaas? —; ben je er geweest?, in plechtige stijl gevolgd door een vn. als ond.: — ik, van ganser harte, antwoord van een predikant op de vraag van zijn bevestiger; en amen op alles zeggen, alles goed vinden; geen — en geen neen zeggen, niet beslist toestemmen en evenmin beslist weigeren; — en neen is een lange strijd, zegsw. als er twee twisten en de een de ander niets wil toegeven; — knikken, bevestigend, toestemmend knikken; ik geloof (van) —, dat het zo is; zo —, indien wel, indien het zo is; zeker, stellig, zonder twijfel; ook ironisch om het tegendeel uit te drukken, zoveel als: daar kan geen sprake van zijn:

zeker, dat gaat zómaar!; ook in andere verbindingen die een ontkenning uitdrukken: —, dat kun je denken!;

2. als betuiging van instemming of toegeving: lekker hè?, —, fijn!; ook ironisch: —, spot er maar mee!; —, maar ..., inleiding tot een tegenwerping; och —!, uitdrukking van berusting;
3. om aan te knopen bij een vroeger gezegde of iets dat in de gedachte schiet: —, die jongen waar je het over had ...; o —, dat zou ik haast vergeten;
4. als uitroep aan een verzekering voorafgaand om die te versterken;
—, ik ben ook zo dom niet; —, zowaar, of jawel hoor, daar komt hij nog; in een climax om het meerdere of sterkere met nadruk aan te wijzen: de mogelijkheid, — waarschijnlijkheid van zon ontwikkeling; soms als versterking bij zelfs: mannen, vrouwen en grijsaards, — zelfs kinderen werden mishandeld;
5. vragend om verwondering uit te drukken of om nadere bevestiging te vragen, zoveel als: zo? is het waar?; ik heb hem gisteren nog gezien. -?;

zn. o., het zeggen van -, bevestiging, toestemming: mijn — is zo goed als zijn neen; ik heb nog geengezegd, nog niet beloofd het te doen; jawoord: zacht klonk het — door de trouwzaal; (fig.) het aanvaarden, een positieve houding aannemen, zeg maar — tegen het leven.