Reserveer nu mijn nieuwste boek

Gameet betekenis & definitie

Geslachtscel; haploïde cel, mannelijk of vrouwelijk, die dient voor de voortplanting

Bijna alle organismen hebben gameten van ongelijke grootte. Er is een grote gameet (macrogameet) met veel dooier die onbeweeglijk is, en een kleine gameet (microgameet) die geen dooier bevat en beweeglijk is. De eerste noemen we vrouwelijk (eicel, oöcyt), de tweede mannelijk (zaadcel, spermacel). Gameten worden gevormd in een gonade (ovarium of testis) via gametogenese (spermatogenese en oögenese). Een onderdeel daarvan is een meiose, waardoor de gameten haploïd worden. Bij de bevruchting smelten twee gameten samen tot een diploïde zygote.

De situatie dat de gameten ongelijk van grootte zijn, anisogamie, zien we bij zoveel verschillende organismen dat ongelijkheid van de gameten wel terug moet gaan op het ontstaan van geslachtelijke voortplanting bij de eerste Eukaryota, 1,5 tot 2 miljard jaar geleden. Anderszijds wordt verondersteld dat de voorouderlijke toestand er een was van isogamie (gelijke gameten), zoals nu nog aangetroffen wordt bij een aantal schimmels, oömyceten en groenwieren. Anisogamie zou daaruit ontstaan zijn door disruptieve selectie: een grote gameet is voordelig omdat er dan veel dooier meegegeven kan worden aan het ei en een kleine gameet is voordelig omdat er veel van gemaakt kunnen worden en ze gemakkelijk beweeglijk kunnen zijn. Maar er is geen bewijs voor dit scenario.

De gameten vertegenwoordigen de kiembaan. Kenmerken die in het DNA van de gameten verankerd zijn erven over naar de volgende generatie, in tegenstelling tot kenmerken in de somatische cellen. De voorlopercellen voor de vorming van gameten worden al vroeg in de embryonale ontwikkeling apart gehouden van de rest van het lichaam, het soma.