Reserveer nu mijn nieuwste boek

Cranium betekenis & definitie

Schedel, het voorstel of bovenste gedeelte van het skelet waarin zich het kauwapparaat, belangrijke zintuigen en de hersenen bevinden

Bij de studie van beenderen (osteologie) in de evolutie van de mens is de schedel het meest informatieve onderdeel. Vaak maakt men daarom onderscheid tussen het cranium en “alles behalve het cranium” (postcranium).

De vorm van het cranium is diagnostisch voor het hersenvolume en daarmee voor de veronderstelde cognitieve vermogens. Omdat de hersenen zelf niet fossiliseren (behalve in uitzonderlijke gevallen zoals bij het kind van Taung, Australopithecus africanus), wordt het hersenvolume afgeleid uit de binnenkant van de schedel (de craniale capaciteit). Vroeger gebruikte men daarvoor mosterdzaad; tegenwoordig wordt het geschat op basis van een virtuele computer-reconstructie.

Ook de welving van de schedel is kenmerkend voor een soort. De schedel van Homo sapiens is naar boven gewelfd, terwijl de schedel van de neanderthaler, met vrijwel dezelfde capaciteit, naar achteren gewelfd is. Het midden van de schedel kan in de lengterichting verhoogd zijn als sagittale kiel, zoals bij Homo erectus, of een kam dragen zoals bij Paranthropus en Australopithecus. De sagittale kam doet dienst als versteviging voor de aanhechting van de kauwspier (musculus temporalis).

De onderkant van de schedel (basicranium) kent talloze diagnostische kenmerken zoals de positie van het foramen magnum, de dentale boog, de hoek van het achterhoofdsvlak, de grootte van de achterhoofdsrichel en de wijdte van het hypoglossaal kanaal.

De schedel is opgebouwd uit in totaal 22 met elkaar vergroeide beenderen. Het voorhoofdsbeen, de twee wandbeenderen, het achterhoofdsbeen, twee slaapbeenderen, het wiggebeen en het zeefbeen vormen met elkaar het neurocranium; daarnaast zijn er nog 14 aangezichtsbeenderen, inclusief de onderkaak (mandibula).