Reserveer nu mijn nieuwste boek

Postcranium betekenis & definitie

Alle onderdelen van het skelet behalve de schedel ("datgene wat na de schedel komt")

Bij de studie van beenderen (osteologie) in de evolutie van de mens maakt men vaak onderscheid tussen het cranium en “alles behalve het cranium”. Van de postcraniale beenderen zijn de volgende onderdelen vaak onderwerp van studie:
- Het bekken (pelvis). Dit vertegenwoordigt de grootste massa bot in het menselijk skelet en wordt daarom vaak gevonden als fossiel. De vorm is zeer informatief voor het bipedalisme. Ook kan aan het bekken het geslacht afgelezen worden.
- Het femur (dijbeen). Dit been wordt ook vaak als fossiel aangetroffen, bijvoorbeeld bij Pithecanthropus (Javamens, Homo erectus) en Orrorin tugenensis. Ook het femur is diagnostisch ten aanzien van het lopen op twee benen (inclinatiehoek, valgushoek, obturator-groeve).
- Beenderen van de schoudergordel, m.n. de scapula (schouderblad). In de scapula is een holte aanwezig, de cavitas glenoidalis of fossa glenoidalis, waar de kop van het opperarmbeen (humerus) in scharniert. Een laterale oriëntatie van het gewricht (waardoor de armen naast het lichaam kunnen zwaaien) is kenmerkend voor bipedalisme.
- Wervels (vertebrae). Zelden worden van een fossiele hominine alle wervels gevonden omdat deze vaak vóór de fossilisatie verspreid raken. De holte in de thoracale wervels, waar het ruggenmerg door loopt (dilatatie) wordt wel in verband gebracht met de ademhaling en het spreken.
- De middenhandsbeenderen (carpale beenderen), middenvoetsbeenderen (tarsale beenderen), vingerbeenderen en tenen (phalanxen) zijn indicatief voor grijpen en lopen. De tenen zijn bij de homininen gestrekt in plaats van gekromd, ze staan naast elkaar, terwijl in de hand de duim een pincetgreep kan vormen met de andere vingers.