Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 30-11-2017

stuk

betekenis & definitie

stuk - bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord

1. niet meer heel, in delen uit elkaar gevallen
♢ de vaas viel en nu is hij stuk
2. niet meer werkend
♢ mijn horloge is stuk, hij staat stil
3. erg onder de indruk
♢ ik was helemaal stuk van die film

1. wat kleiner is dan het totaal
♢ wil je ook een stuk taart?
1. het aan stukken slaan
[kapot slaan]
2. aan één stuk door
[voortdurend]
3. een man uit één stuk
[erg betrouwbaar]
4. stukje bij beetje
[langzaam en geleidelijk]
5. werken dat de stukken ervan afvliegen
[heel hard werken]
6. een stukje mee-eten
[een hapje mee-eten]
7. stukje bij beetje
[geleidelijk]
8. aan één stuk door
[voortdurend]
9. het ontbrekende stukje van de puzzel
[de oplossing]
10. iemand uit één stuk
[consequent in zijn opvattingen]
2. bepaalde afstand of lengte
♢ ik heb een stuk hardgelopen
1. een stuk duidelijkheid scheppen
[enige duidelijkheid]
2. op geen stukken na
[in het geheel niet]
3. een raar stuk vreten
[een wonderlijke persoon]
4. stukken beter
[veel beter]
3. exemplaar van iets
♢ hoeveel stuks wilt u?
1. stuk voor stuk
[allemaal apart]
2. per stuk
[per exemplaar]
3. een stuk of tien
[ongeveer tien]
4. een aangetekend stuk
[waarvoor je een ontvangstbewijs moet tekenen]
5. een stuk of wat
[een paar]
4. tekst in krant of tijdschrift
♢ hij schreef een stuk over kindermishandeling
5. man of vrouw met mooi lichaam
♢ ik vind die verloofde van jou een echt stuk!
6. grote hoeveelheid, veel
♢ hij is een stuk groter dan zijn broer
1. stukken goedkoper
[veel goedkoper]
2. op geen stukken na
[lang niet]
7. papieren voor een vergadering
♢ heb jij alle stukken bij je?
8. kunstwerk met muziek of toneel
♢ ze spelen een stuk van Mozart

Bijvoeglijk naamwoord: stuk
iets stukke

Synoniemen
defect, gebroken, kapot
Tegenstellingen
heel

Algemene uitdrukkingen:
1. van zijn stuk zijn
[in de war zijn]
2. een stuk in je kraag
[dronken]
3. op zijn stuk blijven staan
[niet toegeven]
4. groot van stuk
[groot van gestalte]
5. lik op stuk krijgen
[snel een reactie krijgen]
6. een stuk onbenul
[een sufferd]
7. een stout stukje
[een dappere daad]
8. voet bij stuk houden
[niet toegeven]
Zelfstandig naamwoord: stuk
het stuk
de stukken
het stukje

Synoniemen
artikel, bescheiden, bestanddeel, brok, component, deel, eind, element, gedeelte, kanjer, lap, lid, onderdeel, part, segment, smaldeel, spetter

Tegenstellingen
heel, totaal, voluit