2020-04-03

stuk

stuk - Zelfstandignaamwoord 1. deel, gedeelte, onderdeel van een geheel De prachtige vaas viel in vele stukken op de vloer. Van wie is dat stuk speelgoed? Zodra ook dat stuk geschut is opgesteld, is de batterij compleet. 2. (kunst) een afgerond product van nijverheid of kunst Dit stuk is als blijspel niet erg ge...

2020-04-03

Stuk

Een stuk is: een blad papier of perkament; een aantal bladen papier of perkament, waarop een tekst is gesteld, die een eenheid vormt. Vgl. N.A.T. nr. 2: Een stuk is: in ruime zin een archiefbestanddeel, dat materieel een eenheid vormt; in enge zin een blad papier of perkament of een aantal bladen, waarop een tekst is gesteld, die een eenheid vormt. Men gebruikt de term ”stuk” bij het beschrijven van de uiterlijke vorm van archiefbe-scheiden, indien niet één van de volgende termen (26-33) gebrui...

2020-04-03

Stuk

Stuk - een stuk uit de lenden draaien: zijn gevoeg doen. Schertsend. Syn.: een stuk aan zijn bruine trui gaan breien; zijn stuk uitwringen: urineren. Syn.: uit zijn buik huilen.

2020-04-03

stuk

stuk - Woord om aan te geven dat het bij een effect om een klassiek stuk ofwel K-stuk gaat.

2020-04-03

stuk

stuk - bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord 1. niet meer heel, in delen uit elkaar gevallen ♢ de vaas viel en nu is hij stuk 2. niet meer werkend ♢ mijn horloge is stuk, hij staat stil 3. erg onder de indruk ♢ ik was helemaal stuk van die film 1. wa...

2020-04-03

stuk

(bn) SP - uitgeput, aan het eind van zijn krachten, haast niet meer vooruit te branden: stuk zitten, zijn dood, kapot.

2020-04-03

stuk

Combinatie van heer-vrouw in een kleur.

2020-04-03

stuk

stuk - v., (argot) boterham;„stukken-zakkie” : boterhamzakje.

2020-04-03

Stuk

Stuk - de benaming van een groot wijnvat, vooral in de Rijnstreken in Duitschland. Ook: benaming van eigendomsbewijzen, als aandeelen, obligaten enz. In den handel worden sommige goederen bij het stuk, dat is elk op zich zelf, in zijn geheel, onverschillig hoe groot of hoe zwaar het zij, verkocht. Zoo ook in den effectenhandel, sommige effecten, en loten. Gouden en zilveren munten worden in den kleinhandel bij het stuk berekend en genoteerd.

2020-04-03

stuk

zie vallen. suiker, suy(c)ker Verbastering van het Franse sacre of sacré. Samenstellingen met suiker vinden wij in gans suyker krenten, gans suykermelken en suyker-erreten. In honderd suikere is honderd een substituut voor wond, en suiker voor sakker. In feite dus een verbastering van bij Gods heilige wonden.

2020-04-03

stuk

boterham.

2020-04-03

Stuk

noemt men bij de ➝ artillerie het samenstel vuurmond en caisson.

2020-04-03

Stuk

Het begrip stuk heeft 2 verschillende betekenissen: 1. stuk - stuk - o. (-ken), gedeelte van iets, deel, brok : iets aan stukken slaan, breken, smijten ; in stukken scheuren, snijden, trekken; een stuk steen; een stuk papier, kaas, worst; een stuk brood; — (gew.) een stuk, boterham; — een stuk vleesch; — (fig.) een lomp stuk vleesch, een zwaarlijvig, een onhebbelijk grof persoon; — een oolijk stuk vleesch, een grappenmaker ; — een knap stuk van eene meid, eene...

2020-04-03

stuk

A. o. (-ken; -je) stuiken ∴ afgestoten deel] I. Eig. (ge)deel(te) van iets stoffelijks nl. 1. a. Algm. afzonderlijk, los deel, dat met andere een geheel vormt, brok: een brood, papier, steen, vis; de -ken van een mozaïek in elkaar zetten; een van een geschrift. Gez. aan, in -ken (en brokken), geheel kapot; bij, met -ken (en brokken), telkens een gedeelte; met -ken (en brokken), zo goed en zo kwaad als het gaat. b. afzonderlijk uitgegeven gedeelte van een boek: het eerste van het...

2020-04-03

Stuk

komt sedert de 16de eeuw meermalen voor in toepassing op personen veelal in minachtenden zin, met een er van afhangenden genitief; vgl. [i]Mnl. Wdb.[/i] VII, 2363; Kiliaen: Stuckboefs, stuckschelms, scelus, homo scelestus; stuckhoers, meretrix, scortum; Marnix, Byenc. 114 r Hij moet van een yeghelijck voor heylich ghehouden worden, al waer hy schoon oock een naeckte stucke Boefs; 17de eeuw: stukkeboefs, -diefs (ook mnd. stucke deves), -guits, -hoers, -schelms (...

2020-04-03

stuk

stuk - 1°. Mannelijk lid; eig. ‘kanon’? (vgl. de vele wapens als benaming voor de penis), of naast ‘(geslachts)deel en ‘lid’'!. Ze graaide in de gulp van zijn roze slip en bevrijdde het stijve, hete stuk, L. 31 [1967].2°. Sexueel aantrekkelijk, goed geproportioneerd meisje, vrouw (ENDT) (vgl. stoot, moot).