Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

poot

betekenis & definitie

poot - zelfstandig naamwoord

1. been van een dier
♢ een hond heeft vier poten en een staart
1. het komt op zijn pootjes terecht
[het komt wel goed]
2. op zijn achterste poten staan
[verontwaardigd zijn, protesteren]
3. met hangende pootjes terugkomen
[nadat je tot inkeer bent gekomen]
4. opzitten en pootjes geven
[beleefd gedrag bij een bezoek]
5. een schaap met vijf poten zoeken
[iemand die veel verschillende dingen kan]
2. deel van stoel of tafel
♢ deze stoel heeft vier poten
1. de poten onder zijn stoel vandaan zagen
[ervoor zorgen dat hij het niet redt]
3. hand, voet of been
♢ nergens aankomen met je poten!
1. geen poot uitsteken
[helemaal niets doen]
2. poten thuishouden!
[afblijven]
3. op hoge poten
[erg verontwaardigd]
4. op je poot spelen
[tekeer gaan uit kwaadheid]
5. hem een poot uitdraaien
[hem oplichten]
6. geen poot hebben om op te staan
[nergens je gelijk mee kunnen aantonen]
7. je poot stijf houden
[niet toegeven]

Algemene uitdrukkingen:
1. een brief op poten schrijven
[waarin flink de waarheid wordt gezegd]
2. op hoge poten
[zeer boos]
3. iets op poten zetten
[het organiseren]
Zelfstandig naamwoord: poot
de poot
de poten
het pootje