Wat is de betekenis van Poot?

2020
2021-06-21
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

poot

1) (1964) (scheldw.) homoseksueel. Verkorting van ruigpoot*. • Het waren twee jonge poten met dure brillen op. (Jan Cremer: Ik Jan Cremer. 1964) • Ik had wel zin om een beetje voor niks te zuipen met die poot. (Haring Arie: Een leven aan de Amsterdamse zelfkant. 1968) • Wat moeten ze wel niet van ons denken. Dat we poot zijn of zo?...

Lees verder
2018
2021-06-21
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

poot

poot - zelfstandig naamwoord 1. been van een dier ♢ een hond heeft vier poten en een staart 1. het komt op zijn pootjes terecht [het komt wel goed] 2. op zijn achterste poten st...

Lees verder
2017
2021-06-21
Voetballers

Jargon & Slang van Voetballers

Poot

Poot - been. Net zoals wielrenners hebben voetballers het graag over hun 'poten'. Wijst nog eens op de ruwheid van het voetbalspel.

2009
2021-06-21
Wielersportwoordenboek

Wielersportwoordenboek door Jan Luitzen ©

poot

→ been

2007
2021-06-21
Scheldwoordenboek

Geschreven door Marc de Coster © 2007

Poot

homoseksueel. Van de poot zijn is een Bargoense uitdrukking voor ‘homoseksueel zijn’. Potenrammen betekent ‘homoseksuelen afranselen’. Poot is afgeleid van de hand, waarop geklopt wordt als iemand ‘zo’ of ‘van het handje is’ (populaire aanduidingen voor homoseksueel zijn). Zie ook nog pielepoot, ruig...

Lees verder
1999
2021-06-21
Woordenboek van Neologismen

Geschreven door Marc de Coster ©

Poot

Poot - afdeling of belangrijk onderdeel van een bedrijf. Sinds de jaren tachtig. Groei valt ook te verwachten in sectoren waar Schuttersveld nog niet actief is, zegt Wolters. Daarbij valt te denken aan de aankoop van een nieuwe handelspoot. Elsevier, 13-12-97 Het concern heeft nu drie poten. De eerste poot is het in Denemarken gevestigde, maar van...

Lees verder
1998
2021-06-21
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Poot

1. een - rammen/tikken,een homofiel in elkaar ranselen. Vnl. jeugdtaal. Sinds de jaren tachtig. Pootis een verkorting van ruigpoot,een scheldwoord voor een homofiel. Deze term verwijst volgens Endt en Frerichs naar de behaarde, ruige kant van de hand (poot),die de rugzijde van de partner aanduidt, de verkeerde kant. Ze zouden in het Vliegenbos een...

Lees verder
1997
2021-06-21
Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

poot

In Vlaanderen kent men volgens Mullebrouck (1984) de verwensing maakt u uit de poten! De verwensing duidt op boosheid en ergernis en geeft aan dat men een afkeer heeft van iemand. Een goed equivalent is ‘rot op’. Het gebruik van het voor mensen vulgaire poot geeft aan de afkeer een extra intensiteit. zie moot, sta...

Lees verder
1991
2021-06-21
Lesbotaal Lexicon (1991)

Lesbiaans : lexicon van de lesbotaal (1991). Geschreven door Kunst, Hanneke, en Xandra Schutte.

Poot

Poot - vrouwelijke poot, benaming voor lesbienne, gebruikt in de jaren vijftig.

1977
2021-06-21
Erotisch woordenboek

Hans Heestermans

poot

poot - homosexueel (vgl. ruigpoot en poten).

1973
2021-06-21
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

poot

v./m. (poten), 1. elk van de twee, vier of meer ledematen van een dier, die dienen voor de voortbeweging: die hond heeft een — gebroken; een schaap met vijf poten zoeken, naar iets onmogelijks uitkijken; met zijn poten omhoog liggen, dood op zijn rug liggen; een kip op hoge poten, vrouw, meisje met lange, dunne benen en een te korte jurk; op...

Lees verder
1952
2021-06-21
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Poot

s., poat.

1950
2021-06-21
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Poot

I. m. (poten), 1. elk der twee, vier of meer tot voortbeweging dienende ledematen van een dier: een bij heeft zes poten ; — met zijn poten omhoog liggen, dood op zijn rug liggen; — een kip op hoge poten, vrouw, meisje met lange, magere benen en een te korte jurk; —op zijn achterste poten gaan staan, eig. met betr. tot een steigere...

Lees verder
1933
2021-06-21
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Poot

noemt men ter voortbeweging dienende ledematen van vele dieren. Een p. kan ongeleed zijn (veelborstelige wormen) of geleed, en in het laatste geval een uitwendig geraamte (geleedpootigen) of een inwendig geraamte (gewervelde dieren) bezitten.

1928
2021-06-21
Wat is dat?

Wat is dat? Encyclopedie voor jongeren (1938).

Poot

Huibert Cornelisz Poot (1689— 1733) was een Nederlands dichter, die te Abtswoude bij Delft uit een landbouwersfamilie werd geboren. Eerst dichtte Poot alleen in zijn vrijen tijd, (natuurpoëzie, aan het landleven gewijd), toen werd hij alleen letterkundige, later keerde hij echter weer tot zijn oud beroep en zijn landelijke leven terug. P...

Lees verder
1916
2021-06-21
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Poot

Poot, - een ongewortelde heester van populier of wilg. Deze worden verkregen door stevige, rechte loten van knoten te nemen.

1870
2021-06-21
Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Poot

Poot (Huibert Corneliszoon), een van de beste Nederlandsche dichters der 18de eeuw, geboren te Abtswoude bij Delft den 29sten Januarij 1689, behoorde tot den boerenstand en genoot geene geleerde opvoeding, zoodat alleen de werken van Nederlandsche dichters en vertalingen van die der buitenlandsche voor hem toegankelijk waren. Niettemin verwierf hij...

Lees verder