Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

hond

betekenis & definitie

hond - zelfstandig naamwoord

1. huisdier dat kan blaffen
♢ veel mensen in Nederland hebben een hond
1. er kwam geen hond
[er kwam niemand]
2. zo ziek als een hond zijn
[heel erg ziek]
3. de gebeten hond zijn
[de schuld krijgen]
4. commandeer je hondje en blaf zelf
[je hebt niet het recht te zeggen wat ik moet doen]
5. we hebben een hond aan tafel
[als iemand vergeet te bidden]
6. als twee honden vechten om een been, loopt een derde ermee heen
[als twee mensen ruzie hebben, heeft een derde er vaak voordeel van]
7. bekend zijn als de bonte hond
[overal ongunstig bekend zijn]
8. de hond in de pot vinden
[komen als het eten op is]
9. blaffende honden bijten niet
[voor schreeuwers hoef je niet bang te zijn]
10. als kat en hond leven
[veel ruzie maken]
11. geen slapende honden wakker maken
[geen aandacht vestigen op wat beter geheim kan blijven]

Algemene uitdrukkingen:
1. rode hond
[ziekte waarbij je rode vlekken krijgt]
Zelfstandig naamwoord: hond
de hond
de honden
het hondje