zijn betekenis & definitie

zijn - onregelmatig werkwoord, voornaamwoord

1. een werkelijkheid vormen, bestaan
er zijn mensen die op hun handen kunnen lopen
1. er was eens ....
[er leefde eens]
2. ware het niet dat ...
[als het niet zo was]
3. als het ware
[waar je het mee kunt vergelijken]
4. dat mag er zijn
[dat is indrukwekkend]
5. wat is er?
[wat scheelt eraan]
6. hij is er geweest
[hij is dood]
2. je er bevinden
♢ er zijn mensen in het huis
1. we zijn er
[we zijn op de plaats van bestemming]
2. erbij zijn
[goed opletten]
3. iets doen
♢ hij is aan het fietsen
4. noemt een eigenschap of kenmerk van het onderwerp
♢ zij is een aardige meid
1. als ik jou was dan ...
[ik geef je de raad om ...]
5. geeft aan dat het al gebeurd is
♢ zij is weggegaan

1. bezittelijk: hij is van die mannelijke persoon
♢ is dat zijn fiets?

Onregelmatig werkwoord: zijn
ik ben
jij/u bent
hij/zij is
wij/zij/jullie zijn
ik/jij/u/hij/zij was
wij/zij/jullie waren
hij is geweest

Synoniemen
uithangen, vertoeven, wezen

Tegenstellingen
ontbreken

Voornaamwoord: zijn

Synoniemen
z'n