permitteren betekenis & definitie

permitteren - regelmatig werkwoord
uitspraak: per-mit-te-ren

1. ermee instemmen, zeggen dat het mag
♢ (deftig) dat is hier niet gepermitteerd
2. de vrijheid nemen om iets te doen
♢ wij kunnen ons dit jaar geen vakantie permitteren

Regelmatig werkwoord: per-mit-te-ren
ik permitteer
jij/u permitteert
hij/zij permitteert
wij/zij/jullie permitteren
ik/jij/u/hij/zij permitteerde
wij/zij/jullie permitteerden
hij heeft gepermitteerd

Synoniemen
dulden, gedogen, goedvinden, toegeven, toelaten, toestaan, toestemmen, tolereren, veroorloven

Tegenstellingen
bestrijden, tegengaan