Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

ook

betekenis & definitie

ook - bijwoord

1. net als iemand of iets anders
♢ Jan heeft ook een groot huis
1. ik ben er ook nog!
[je moet mij niet overslaan!]
2. misschien
♢ kun u me ook zeggen hoe laat het is?
3. wat erbij komt
♢ ik heb een hond en ook twee katten

Algemene uitdrukkingen:
1. hij liep zonder jas: hij is dan ook ziek geworden
[dus is hij ziek geworden]
2. we moeten hoe dan ook vergaderen
[in elk geval]
3. daar is oma! ook dat nog!
[wat vreselijk!]
4. waar je ook loopt
[overal waar je loopt]
5. dat is waar ook
[ik zou het bijna vergeten]
6. hoe heet hij ook al weer
[help me even op zijn naam te komen]
Bijwoord: ook

Synoniemen
alsmede, bovendien, daarbij, eveneens, evenzeer, tevens, verder