wel betekenis & definitie

wel - bijvoeglijk naamwoord, bijwoord

1. in orde, gezond
zij voelt zich vandaag niet wel
1. laten we wel wezen
[laten we eerlijk wezen]
2. het wel en wee
[de goede en slechte dingen die men meemaakt]
3. zich er wel bij bevinden
[zich er goed bij voelen]
4. alles goed en wel...
[laat dat zo zijn, maar...]
5. er wel bij varen
[er voordeel van hebben]
6. laten we wel wezen
[inleiding op een vervelende, maar eerlijke mededeling]

1. behoorlijk, maar niet uitzonderlijk
♢ het was wel leuk op dat feestje
1. het gaat wel
[het gaat niet goed en het gaat niet slecht]
2. bevestigen dat het zo is
♢ Jan gaat niet mee, Piet wel
1. ik denk van wel
[ik denk dat het zo is]

Bijvoeglijk naamwoord: wel

Algemene uitdrukkingen:
1. ik heb wel degelijk goed opgelet
[zeker]
2. als ik het wel heb
[als ik het goed heb]
3. hij was goed en wel in Rome toen ...
[hij was er net]
4. wel ja, ga nog maar schelden ook!
[nu maak je het helemaal erg]
5. hij komt vast wel
[ik vertrouw erop]
6. ik vind van wel
[ik vind dat het kan]
Bijwoord: wel

Synoniemen
betrekkelijk, nogal, redelijk, tamelijk

Tegenstellingen
niet, ongehoord