2019-11-23

maar

maar - Voegwoord (nevenschikkend) 1. tegenwerping, introduceert een zin(sdeel) dat het voorgaande zin(sdeel) tegenspreekt of er mee contrasteert Het is zonnig vandaag, maar de wind maakt het kil. maar - Zelfstandignaamwoord 1. bezwaar, tegenwerping De maar van jouw voorstel is dat ik het moet betalen. Zij gaven na veel mitsen en mare...

2019-11-23

Maar

Oud-Germaans voor heks; mare, nachtmerrie, angstdroom, van de maar bereden zijn. Het gevaar van de afdwalende ziel (animisme) waardoor een drachtige merrie niet de dodenwagen mocht trekken, en het voorbereiden van het onwetende dier op zijn gevaarvolle taak, waren oorzaak dat in West-Vlaanderen de boever (paardenknecht) de paarden reeds de avond tevoren in het oor fluisterde dat ze een dode moesten wegbrengen. In oostelijk Zeeuws-Vlaanderen en in het aangrenzende Belgisch-Vlaanderen zou een boer...

2019-11-23

maar

maar - voegwoord, bijwoord 1. geeft een tegenstelling aan ♢hij is wel aardig, maar ook een beetje gek 2. niet meer dan dat ♢hij heeft maar twee kinderen Algemene uitdrukkingen: 1. laat maar [het hoeft niet meer] 2. nee maar!

  • 2019-11-23

    Maar

    1. Maar vw. bij het zuiver tegenstellend zinsverband, om twee gedachten te verbinden de jeugd leeft in de toekomst, maar de grijsheid in het verleden; geen woorden, maar daden zijn hier noodig; bij het beperkend tegenstellend zinsverband, wanneer de tweede zin in tegenstelling is met een gevolg of besluit, dat uit den inhoud van den eersten zin te wachten was: zij hebben oogen, maar zien niet; — klein, maar dapper; — gewoon is het gebruik van maar in min of meer zijdelingsche tegenwerpingen:...

    2019-11-23

    Maar

    Maar, - kratermeer in de Eifel.

    2019-11-23

    Maar

    zie Dan, zie Mare.

    2019-11-23

    maar

    v. vulkanische exploitatierechter, kratermeer.