Wat is de betekenis van maar?

2019
2022-08-09
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

maar

maar - Voegwoord (nevenschikkend) 1. tegenwerping, introduceert een zin(sdeel) dat het voorgaande zin(sdeel) tegenspreekt of er mee contrasteert Het is zonnig vandaag, maar de wind maakt het kil. maar - Zelfstandignaamwoord 1. bezwaar, tegenwerping ...

Lees verder
2018
2022-08-09
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

maar

maar - voegwoord, bijwoord 1. geeft een tegenstelling aan ♢hij is wel aardig, maar ook een beetje gek 2. niet meer dan dat ♢hij heeft maar twee kinderen Algemene uitdrukkingen: ...

Lees verder
2002
2022-08-09
Funerair Lexicon

Encyclopedisch woordenboek over de dood (2002)

Maar

Oud-Germaans voor heks; mare, nachtmerrie, angstdroom, van de maar bereden zijn. Het gevaar van de afdwalende ziel (animisme) waardoor een drachtige merrie niet de dodenwagen mocht trekken, en het voorbereiden van het onwetende dier op zijn gevaarvolle taak, waren oorzaak dat in West-Vlaanderen de boever (paardenknecht) de paarden reeds de avond te...

Lees verder
1994
2022-08-09
Vreemde woorden

Woordenboek vreemde woorden

Maar

[Du. Maar] kratermeer.

1952
2022-08-09
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Maar

conj. & adv., mar.

1950
2022-08-09
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Maar

I. MAAR, v. (maren), (Zuidn.) nachtmerrie: van de maar bereden zijn. II. MAAR v. (maren), 1. (gew.) gracht, afvoerkanaal; 2. zie Mare (III). III. MAAR I. vw., 1. bij het zuiver tegenstellend zinsverband, om twee gedachten te verbinden: de jeugd leeft in de toekomst, maar de grijsheid in het verleden; geen woorden, maar...

Lees verder
1948
2022-08-09
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

maar

v. vulkanische exploitatierechter, kratermeer.

1937
2022-08-09
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

maar

I. v. maren; tijding; zie mare. II. 1. vgw. (doch): hij wil wel, maar hij kan niet; 2. bw.: doe het maar, gerust; ik heb maar één gulden, slechts, enkel, bloot, louter; 3. o. maren; tegenwerping, bedenking: hou toch op met die maren; er is slechts één maar bij. III. v.; Z.-N., vero. nachtmerrie: van de maar bereden wor...

Lees verder
1933
2022-08-09
Iedereen

Encyclopedie voor Iedereen

Maar

met water gevulde krater v/e uitgedoofde vulkaan, omringd door eruptie-gesteenten, komen i/d Eifel veel voor.

1916
2022-08-09
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Maar

Maar, - kratermeer in de Eifel.

1898
2022-08-09
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Maar

1. Maar vw. bij het zuiver tegenstellend zinsverband, om twee gedachten te verbinden de jeugd leeft in de toekomst, maar de grijsheid in het verleden; geen woorden, maar daden zijn hier noodig; bij het beperkend tegenstellend zinsverband, wanneer de tweede zin in tegenstelling is met een gevolg of besluit, dat uit den inhoud van den eersten zin te...

Lees verder
1898
2022-08-09
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Maar

zie Dan, zie Mare.