Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

boter

betekenis & definitie

boter - zelfstandig naamwoord
uitspraak: bo-ter

1. uit melk gemaakt vet voor op brood of om in te bakken
♢ we braden dit vlees in boter
1. boter op je hoofd hebben
[zelf ook schuldig zijn]
2. nog geen deuk in een pakje boter kunnen slaan
[heel zwak zijn]
3. het is boter aan de galg gesmeerd
[het is vergeefse moeite voor een verloren zaak]
4. met je neus in de boter vallen
[precies op een goed moment komen]
5. het is boter bij de vis
[direct betalen; krijgen waar je recht op hebt]

Zelfstandig naamwoord: bo-ter
de boter
het botertje