Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 30-11-2017

vet

betekenis & definitie

vet - bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord

1. met veel dierlijke of plantaardige brandstof
dit vlees is erg vet
1. zo vet als modder
[heel erg vet]
2. vette jaren
[met veel welvaart]
3. hij heeft een vet salaris
[hij verdient veel]
2. vies of glad door vet
♢ ik heb vet haar
3. heel erg goed of leuk
♢ ik vind die broek wel vet hoor!

1. weefsel in het vlees van mensen en dieren
♢ er zit een rand vet aan het vlees
1. iemand in zijn vet gaar laten koken
[je niet meer met hem bemoeien]
2. iemand zijn vet geven
[stevig de waarheid zeggen]
2. dierlijke of plantaardige brandstof
♢ de patat werd in vet gebakken

Algemene uitdrukkingen:
1. een vet gedrukt woord
[dik gedrukt]
Bijvoeglijk naamwoord: vet
... is vetter dan ...
het vetst
de/het vette ...
iets vets

Zelfstandig naamwoord: vet
het vet
de vetten

Synoniemen
cool, eindeloos, enig, fantastisch, formidabel, gaaf, geweldig, grandioos, groots, jofel, kolossaal, magnifiek, prachtig, tof, wreed

Tegenstellingen
lelijk, mager