Lexicon van de Ethiek

Verklarend lexicon van de meest gebruikte begrippen uit de hedendaagse ethiek.

Gepubliceerd op 19-04-2017

2017-04-19

Speltheorie en ethiek

betekenis & definitie

De speltheorie is het onderdeel van de 'theorie van de rationele keuze’ of ‘beslissingstheorie’ dat betrekking heeft op beslissingen waarbij de uitkomst mede afhangt van de beslissingen van andere rationele actoren. Zulke situaties of ‘spelen’ kunnen aangeduid worden als situaties van interdependente keuzen. Op het eerste gezicht is in zulke situaties een rationele keuze niet mogelijk: ik kan alleen bepalen wat ik moet doen door te anticiperen op wat jij doet, maar als ik mij verplaats in jouw situatie, realiseer ik me dat jij alleen kunt bepalen wat jij moet doen door te anticiperen op wat ik doe. Dat lijkt een vicieuze cirkel. De speltheorie schetst de manier waarop rationele actoren uit deze cirkel kunnen raken door een systematische ordening te maken van typen spelen, en voor elk type spel een ‘oplossing’ te geven. De vorm van rationaliteit die hierbij in het geding is wordt aangeduid als ‘strategische rationaliteit’.

Best mogelijke resultaten
Een spel wordt bepaald door de handelingsalternatieven van de spelers (twee of meer), de uitkomst voor elke combinatie van handelingsalternatieven van elk van de spelers, en de voorkeursordeningen van de spelers over alle uitkomsten. Het ‘nut’ van elke mogelijke uitkomst wordt aangeduid als ‘uitbetaling’ (pay-off).

Het baanbrekende werk op het gebied van de speltheorie is, na enkele vooroefeningen (onder meer in het werk van Hume), gedaan door Von Neumann en Morgenstern (1944), en vervolgens door Nash. Von Neumann en Morgenstern concentreerden zich op zogenaamde ‘nulsom-spelen’: spelen waarin voor iedere uitkomst het positieve saldo van de ene speler gelijk is aan het negatieve saldo van de andere. De belangen van de spelers zijn dus volledig tegengesteld. Voor dit type spel stelden zij het ‘minimax-principe’ voor: bepaal voor elk handelingsalternatief de slechtst mogelijke uitkomst, en kies het alternatief waarin die slechtst mogelijke uitkomst nog het gunstigst is.

In sociale interacties komen eigenlijk geen situaties van nulsom-spelen voor. In een extreem conflict zullen de meeste uitkomsten verlies van alle spelers inhouden, en vrijwel altijd zijn er nog gedeelde belangen, bijvoorbeeld het afzien van bepaalde strijdmiddelen, zoals chemische wapens in de Tweede Wereldoorlog. Voor zulke mixed motive games gaat het minimax-principe niet op, omdat dit te exclusief op risico’s is afgestemd. Een algemeen aanvaard oplossingsconcept wordt geboden door het ‘dominantieprincipe’. Een keuze is dominant als die tot het best mogelijke resultaat leidt, ongeacht wat de andere speler kiest. Een hiervan afgeleid principe is: ga er vanuit datje partner haar dominante keuze maakt, en kies het alternatief dat onder die vooronderstelling de hoogste uitbetaling oplevert. Deze principes bieden echter slechts oplossingen voor een beperkte categorie spelen.

Het staat niet vast dat ieder spel een oplossing heeft. Als een spel een oplossing heeft, moet het een equilibrium zijn. Want als er een oplossing is, weten rationele spelers van elkaar dat ze de keuze zullen maken die tot de oplossing zal leiden, en die wetenschap geeft hun geen aanleiding alsnog van keuze te veranderen.

Belang voor de ethiek
Het belang van de speltheorie voor de ethiek wordt vooral duidelijk binnen de ‘contracttheorieën van de moraal’. Daarin wordt de moraal opgevat als het geheel van verplichtende regels dat coöperatie tussen mensen mogelijk maakt. De theorie wordt aangeduid als ‘contracttheorie’, omdat zij een rationele reconstructie van de moraal biedt met behulp van het volgende gedachte-experiment. Stel dat een groep mensen besluit een samenlevingsverband te vormen. Om die samenleving niet te laten vastlopen in conflicten moeten die mensen afspreken zich aan bepaalde regels te houden. Welke regels zouden zij overeenkomen, uitgaande van omstandigheden die kenmerkend zijn voor alle samenlevingen, of voor een bepaald type (bijvoorbeeld de ‘westerse’) samenleving?

Om die vraag te beantwoorden, gaat een contracttheorie uit van de ‘natuurtoestand’, de situatie die zou ontstaan als alle spelers zonder enige onderlinge afstemming hun meest rationele keuzen maken. De speltheorie kan een specificatie geven van de natuurtoestand, waarbij ze demonstreert dat deze in hoge mate suboptimaal kan zijn. Het meest dramatische voorbeeld daarvan wordt gegeven door spelen met het karakter van een ‘prisoners’ dilemma’. In vergelijking met de natuurtoestand kan vastgesteld worden wat het maximale voordeel is dat coöperatie kan opleveren (het ‘coöperatieve surplus’) en op welke manieren dat tussen de betrokkenen verdeeld kan worden. De vraag die in het gedachte-experiment van de contracttheorie moet worden beantwoord, is dan: welke verplichtende regels moeten de toekomstige samenlevingspartners afspreken voor de optimale realisering en billijke verdeling van het coöperatieve surplus?

De voornaamste bijdrage van de speltheorie is echter dat zij kan helpen om de klassieke vraag naar de verhouding tussen rationaliteit en moraal scherper te stellen. De vraag is, of en waarom actoren die rationeel zijn in de zin van de beslissingstheorie, zich aan de overeengekomen regels zullen houden. Deze vraag is niet identiek aan de vraag naar de relatie tussen moraal en eigenbelang. De beslissingstheorie neemt aan dat rationele actoren erop uit zijn hun nut te maximaliseren. Nut wordt daarbij gedefinieerd in termen van voorgegeven doelen. Maar die doelen hoeven zich geenszins tot egoïstische doelen te beperken.

Op de vraag naar de relatie tussen rationaliteit en moraal zijn twee antwoorden mogelijk, die tot twee typen van contracttheorie leiden. Het eerste type, soms aangeduid als ‘contractarianisme’, wil laten zien dat het in laatste instantie rationeel is zich aan de regels te houden die in het gedachte-experiment worden overeengekomen (of aan regels die daar niet al te veel van afwijken). Hobbes is de auteur die dit programma klassiek heeft geformuleerd. Van de hedendaagse auteurs die in dit Hobbesiaans programma geïnteresseerd zijn, is Gauthier de belangrijkste. In welke mate de uitvoering van dit programma succes heeft gehad, is omstreden.

De tweede vorm van contracttheorie, veelal aangeduid als ‘contractualisme’, ziet ervan af om moraal tot rationaliteit te reduceren. Veeleer wordt aangenomen dat mensen bereid zijn zich aan patronen van wederkerige verwachtingen van hogere en lagere orde te houden, omdat zij open staan voor een beroep op samenwerking. Zulke verwachtingen zouden gerechtvaardigd zijn omdat ze berusten op een beroep op coöperatieve deugden, in het bijzonder de deugden ‘betrouwbaarheid’ en fairness. In het gedachte-experiment wordt dan aangenomen dat de actoren die het contract sluiten zich door dergelijke overwegingen laten leiden. De contracttheorie wordt zo een manier om te specificeren wat de verplichtingen zijn die betrouwbare en faire personen in acht zullen nemen. Het beroemdste voorbeeld van zo’n theorie is de argumentatie van Rawls (1971).

De speltheorie heeft tenslotte belang voor de ethiek in haar evolutietheoretische variant. Deze kan bijdragen tot de verklaring van het ontstaan en mogelijk de aard van coöperatieve disposities.

Kritiek
Tegen alle contracttheorieën, en in het algemeen tegen iedere vorm van ethiek die aanknoopt bij de speltheorie, kunnen twee samenhangende bezwaren worden ingebracht. Het eerste bezwaar is dat zulke theorieën geen ruimte laten voor verplichtingen tegenover mensen en niet-menselijke wezens die geen partners kunnen zijn in een coöperatieve onderneming tot wederzijds voordeel: dieren, pasgeboren kinderen en zeer ernstig gehandicapten. Het tweede bezwaar is, dat volgens zulke theorieën de reden waarom we mensen in nood moeten helpen niet is dat die mensen in nood zijn, maar dat dit van ons verwacht wordt. Dat is, in de memorabele term van Williams, ‘one thought too many’.

Deze bezwaren leiden ertoe de pretenties van zulke theorieën te beperken. Zij geven een interpretatie aan een beperkt opgevatte notie van de morele plicht - plicht is wat van je verwacht mag worden met een beroep op je coöperatieve deugd - die openlaat dat het plicht-motief slechts één moreel motief is onder andere. Er zijn immers meer deugden dan coöperatieve deugden.

Literatuur
Gauthier, D., Morals bij Agreement, Oxford, 1986.
Hartogh, G. den, Mutual Expectations: A Conventionalist Theory of Law, Dordrecht, 2002.
Kavka, G., Hobbesian Moral and Political Theory, Princeton, 1986.
Mackie, J.L., Hume’s Moral Theory, Londen, 1980.
Sugden, R., The Economics of Rights, Cooperation and Welfare, Oxford, 1986.
Verbeek, B., Cooperative Virtues, Dordrecht, 2002.
Von Neumann, J., O. Morgenstern, Theory of Games and Economie Behavior, Princeton, 1944.
Rawls, J., Een theorie van rechtvaardigheid, vertaald door F. Bestebreurtje, Rotterdam, 2006 (1971).

(G. den Hartogh)