Geweten betekenis & definitie

Het geweten van de mens wordt wel aangeduid als het innerlijk besef van goed en kwaad, het morele vermogen (de ‘innerlijke stem’) om het eigen handelen kritisch te beoordelen. Indien de mens tegen zijn of haar geweten in handelt, worden schuld, spijt of wroeging opgeroepen.

Historische context
In religies worden woorden die betrekking hebben op de met schuld verbonden morele ervaringen veelal in verband gebracht met de innerlijke organen van de mens. In het Oude Testament wordt bijvoorbeeld over ‘hart’ en ‘nieren’ gesproken. De oudtestamentische profeten leren dat God de wet in het innerlijk van de mensen heeft ‘ingeplant’. Het Nieuwe Testament neemt de hellenistische term syn-eidesis (‘mee-zien’ of ‘medeweten’) over. Dit geldt in het bijzonder voor Paulus (met name in de eerste brief aan de Korintiërs) die het geweten omschrijft als innerlijke getuige van de wet van God die in het hart van alle mensen geschreven is. In de evangeliën staan hart en oog voor de gerichtheid van de hele mens op God (vergelijk bijvoorbeeld Lucas 11: 34-36). In de patristische traditie ontwikkelt het gewetensfenomeen zich als voorstelling van de plaats van de ethisch-praktische godservaring. In de bloeitijd van de scholastiek wordt het gewetensbegrip verder uitgewerkt. Daarbij maakt Thomas van Aquino een onderscheid tussen het geweten als (zuivere) morele aanleg (synderesis) en het geweten als het (feilbare) vermogen de morele kennis toe te passen (conscientia). Daarbij neemt de antropocentrische betekenis van het fenomeen geweten toe: de mens wordt in relatieve zelfstandigheid verantwoordelijkheid toegewezen. De uiterlijke bepaling van het geweten vanuit de wet Gods neemt bijgevolg af. Niettemin behoudt de religieuze dimensie van het geweten de voorrang: het geweten wijst de weg naar God. De morele zelfervaring wordt door de genade gedragen, hetzij meer op verstandelijke (Thomas), hetzij meer op gevoelsmatige wijze (Bonaventura). Maar meer en meer domineert de opvatting dat God de mens van binnenuit leidt en niet door een uiterlijke wet. Deze opvatting vindt haar hoogtepunt in de aanduiding van het geweten als de 'stem Gods’ die later in het piëtisme wordt aangetroffen. De dogmatiek en het leergezag van de kerk worden aldus minder invloedrijk.

Is het geweten in het christendom een ‘oordelend orgaan’ dat door God wordt ingeplant, in de rationalistische filosofieën van de verlichting is het geweten door de natuur in de mens ingeplant. Ook nu is het geweten de mens aangeboren, al is de duiding seculier van aard. Volgens Kant is het geweten een bij alle mensen aangeboren innerlijke kritische stem die attendeert op het navolgen van plichten.

In moderne menswetenschappelijke tradities wordt het belang van de innerlijke stem van het geweten aanzienlijk gerelativeerd. Het geweten is niet aangeboren maar wordt door de maatschappelijke context gevormd (socialisatieproces). De mens verinnerlijkt maatschappelijke normen die cultuurspecifiek van aard zijn. Het geweten boet dus aan transcendentale oorspronkelijkheid in; het is wezenlijk verworven. Verder bevindt het geweten zich voortdurend in een spanning tussen uiterlijke invloeden en innerlijke sturing. Dat treedt bijvoorbeeld naar voren in Freuds psychoanalyse: de spanning tussen het verinnerlijkte Über-Ich (de door de samenleving ‘ingeprente’ normen) en het zich emanciperende zelfwerkzame Ich. In de moderne menswetenschappen wordt aan het geweten doorgaans geen moreel gezag toegekend: tijdens de socialisatie vormt zich een ‘sociaal geweten’ dat de uitdrukking is van normen die goed of slecht kunnen zijn. Het geweten wordt een soort uitgebalanceerde ik-identiteit waarin de mens de nodige openheid, flexibiliteit, roldistantie, en situatiebewustheid ‘aanleert’, die wisselende interactie mogelijk maakt (zoals uitgewerkt in interactie theorieën).

Uiteindelijk treedt in de moderne tijd een merkwaardige dialectiek op de voorgrond doordat het geweten enerzijds wordt beschouwd tegen de achtergrond van pluraliteit, relativiteit en maatschappelijke afhankelijkheid, en anderzijds op grond van de ontwikkeling van de mensenrechten en de moderne democratie een steeds hogere status krijgt toebedeeld. De beslissing van het individuele geweten wordt een ethische beslissing waar niets boven gaat, maar deze privilegiering van de subjectieve morele beslissing staat op gespannen voet met de sociale determinatie van het zelf. Het merkwaardige feit dat er enerzijds steeds vaker een beroep op het individuele geweten wordt gedaan maar dit anderzijds steeds minder betekenis heeft, wijst op een soort terugkeer naar een contingente gewetensidentiteit van de mens, zij het zonder expliciete betrekking tot het geloof, terwijl tegelijkertijd wantrouwen heerst jegens het geweten als plaats van moreel besef.

Geweten en verantwoordelijkheid
In de klassieke gewetensleer draagt de mens verantwoordelijkheid voor zijn eigen handelingen. Anderzijds wordt die verantwoordelijkheid gedragen onder bepaalde antropologische gegevenheden zoals individuele vermogens en maatschappelijke structuren. Niettemin bestaat de gewetensvrijheid van de mens erin weet te hebben van deze determinanten en zich ertoe te kunnen verhouden. Voorts dient het geweten zichzelf steeds te herzien en opnieuw te bepalen. Dit flexibele ethisch-emancipatoire karakter van het geweten verkrijgt, zoals uiteindelijk elke verantwoording, zijn continuïteit en innerlijke zekerheid pas wanneer het overeenstemt met de laatste zinoriëntatie van de mens. Ethische verantwoordelijkheid is in die zin uiteindelijk altijd verbonden met een existentiële grondhouding, en niet zozeer met rationele afwegingen van concrete opties. In het geweten worden de beide noodzakelijke en elkaar aanvullende competenties van de verantwoordelijkheid samengebracht: de beslissingscompetentie en de oriëntatiecompetentie. Het geweten als krachtenveld van morele beslissingen heeft aan belang gewonnen omdat enerzijds de sociale determinatie van menselijk handelen toeneemt en anderzijds de mens meer en meer moet kiezen uit een veelheid van handelingsopties. Juist het besluitvaardige geweten moet zich daarom open blijven oriënteren.

Omdat het geweten een autoriteit is, kunnen politieke of kerkelijke autoriteiten enerzijds en het individuele geweten anderzijds met elkaar in tegenspraak zijn. Gaat deze tegenspraak tot in de uiterste diepte van het bestaan, dan, aldus luidt de klassieke leer, moet de mens in laatste instantie zijn geweten volgen. Zo principieel is de tegenspraak tussen autoriteit en geweten echter slechts in zeldzame gevallen. De tegenspraak waar het in het algemeen om gaat, is een partiële en een relatieve, en doorgaans zal er sprake zijn van een ‘strategie’ van conflictvermijding. Dat neemt niet weg dat de tegenspraak als zeer beklemmend kan worden ervaren.

Zoals gezegd, tegen de achtergrond van de opkomst van mensenrechten en de bescherming van menselijke integriteit is aan het individuele geweten een hogere status toebedeeld. Het geweten lijkt als laatste vesting te fungeren die subjectieve beslissingen rechtvaardigt. Om die reden hebben individuele gewetensbezwaren een groter gewicht verkregen. Uit het feit dat mensen vaak geen redelijke argumenten bieden voor hun gewetensbezwaren, blijkt dat het geweten in sterke mate verbonden is geraakt met een geëmotionaliseerd zelfbeeld. Het individuele geweten lijkt aldus moeilijker vatbaar voor kritiek en correctie.

Literatuur
Benedict, R., Patterns of Culture, Boston, 1934.
Chadwick, H., Betrachtungen über das Gewissen in der griechischen, jüdischen und christhchen Tradition, Opladen,1974.
Childress, J. Moral Responsibility in Conflicts. Essays on Nonviolence, War and Conscience, Baton Rouge, 1982.
Langston, D.C., Conscience and other Virtues:from Bonaventure to MacIntyre, Pennsylvania, 2001.
Vugt, J. van (red.), De actualiteit van het geweten, Budel, 2003
Wils, J-P, ‘Het geweten - na zijn einde’, in: Leven met ethiek, Leende, 2001, pp. 157-174.

(D. Mieth)

Laatst bijgewerkt 19-04-2017