Lexicon van de Ethiek

Verklarend lexicon van de meest gebruikte begrippen uit de hedendaagse ethiek.

Gepubliceerd op 19-04-2017

2017-04-19

Schuld

betekenis & definitie

In het begrip ‘schuld’ ligt besloten dat het goede, voor zover het doel van het handelen kan zijn (en dan een ethisch begrip is), wordt opgevat als dat wat zou moeten. Het nalaten van of ingaan tegen datgene wat zou moeten, wordt de handelende persoon als vrije daad en daarmee als schuld aangerekend. Het schuldbegrip is een centrale pijler voor de ethiek aangezien de loochening ervan als zodanig uiteindelijk de loochening betekent van het vermogen tot moraliteit van het subject. Van morele schuld is dan sprake als door een handeling (of door een handelingsverzuim) een zedelijke norm wordt geschonden, als de handeling te vermijden was geweest, en als er inzicht bestond over de morele verwerpelijkheid ervan.

Het morele schuldcriterium vereist enerzijds de objectieve toeschrijving en aanrekening van de normovertreding aan het subject, anderzijds de subjectieve schuldbekentenis, het geweten dat als schuldgevoel tot uitdrukking komt. De handelingstoeschrijving kan zich beperken tot de vaststelling van de veroorzaking door het subject. Dit kan echter mogelijk problemen opleveren bij verder afgelegen gevolgen en bij afgeleide of gedeelde verantwoordelijkheid. De morele kwaliteit van de slechte daad komt pas bij de toeschrijving aan het subject volledig aan de orde, omdat daartoe het vermogen tot schuld daadwerkelijk gegeven moet zijn. Een handeling kan alleen moreel worden aangerekend aan een subject dat beschikt over inzicht in de morele betekenis van zijn handelen in het algemeen en over de betreffende daad in het bijzonder en deze daad willens en wetens voltrekt. Beperkingen van de geestelijke toestand alsmede onwetendheid, handelen onder dwang, uit angst enzovoort, kunnen de schuld aan een objectief veroorzaakt feit verminderen of opheffen.

In tegenstelling tot het juridisch schuldbegrip, waarvoor de uiterlijke vaststelling van een overtreding en de objectieve toerekenbaarheid aan de dader volstaan, eist (niet in de zin van een noodzakelijke implicatie, maar in de zin van een morele eis) de morele schuld de subjectieve schuldaanvaarding, dat wil zeggen de persoonlijke erkenning van de plichtsverzaking. Zonder dit kan er geen sprake zijn van berouw en zonder berouw kan er geen eventuele verzoening met de gedupeerde plaatshebben. Het innerlijk op zich nemen van de verantwoordelijkheid door de dader, de expliciete schuldbekentenis is irrelevant voor de juridische vaststelling van schuld, maar niet, gelet op het strafdoel van de resocialisatie, voor de strafoplegging. Omdat de morele schuld primair is gericht op de misstap van het subject zelf dat met zijn wandaad een morele plicht en daarmee een aanspraak op zijn vrijheid schendt, is de straf hier secundair en behoort die wezenlijk tot het domein van het recht. Niet elke opzettelijke plichtsverzaking is ook een juridische schending en alleen die laatste kan aanleiding voor een straf zijn. Desondanks is het duidelijk dat ook het juridisch schuldbegrip morele aspecten kent, zo impliceert de eis van vergelding van een misdaad bijvoorbeeld de morele kwaliteit van de juridische schuld. Ook dient vanuit moreel oogpunt de strafmaat in overeenstemming te zijn met de omvang van de schuld.

Schuldbewustzijn en verantwoording
Voor wat betreft het schuldbegrip is het relevant te weten hoe het morele subject als schuldbekwaam, en daarmee hoe het spanningsveld van vrijheid en eindigheid, wordt gedacht. Tussen schuld, subject en vrijheid bestaat een wederkerige samenhang. De toerekenbaarheid van de daad en van de gevolgen van die daad veronderstelt dat het subject weet dat het zich - in geval van een misstap - daadwerkelijk schuldig maakt. Het dringende en ernstige van de schuldervaring wordt veroorzaakt doordat het subject zich in zijn persoonlijke geschiedenis door de irreversibele daad als blijvend en onomkeerbaar getekend ervaart. Schuld impliceert anderzijds een instantie ten overstaan waarvan het subject zich schuldig acht. Dit kan God zijn, de andere subjecten, het eigen ideale ik of het als afgescheiden, beoordelende instantie voorgestelde zelf (geweten). In de geschiedenis van het schuldbesef is de instantie ten overstaan waarvan het subject verantwoordelijk is op diverse manieren bepaald, waarmee tevens uiteenlopende voorstellingen omtrent subject en vrijheid waren verbonden. Maar het identificeren van de verantwoordingsinstantie, met bijvoorbeeld God, sluit op geen enkele manier uit dat de andere subjecten of het eigen zelf niet eveneens hun rol inzake de verantwoording hebben. De betekenis daarvan wordt bepaald door de specifieke verhouding die ze innemen ten opzichte van de primaire verantwoordingsinstantie.

Historische ontwikkelingen
In de oudheid werd schuld vooral vanuit de slechte daad gedacht die de sociale ordening verstoorde, veel minder vanuit de kwade wil van de dader. De gerechtigheid eist voor het herstellen van de orde, die als kosmische samenhang wordt opgevat, de bestraffing van de dader. De overgang van het bovenindividuele schuldbegrip als de macht van het noodlot met sacrale kracht naar het geïndividualiseerde, innerlijk schuldbegrip vindt reeds plaats in het oude Griekenland (de tragedie) en in het Oude Testament (bijvoorbeeld Jeremia 31,29; Ezechiel 18). In de ontwikkeling van de verinnerlijking van het schuldbegrip, dat pas in de moderne tijd een hoogtepunt bereikt, treden de vrije wil en de vraag naar de daadwerkelijke dispositie tot het goede steeds meer op de voorgrond; pas daarmee wordt schuld als zuiver ethisch begrip geconstitueerd. Daarbij spelen de christelijke leer van de schuld en het religieuze aspect van de zonde, waarmee de innerlijke verhouding van het zelf tot zijn vrijheid en zijn afhankelijkheid van en verplichting door God worden benadrukt, een grote rol. Juist de literaire weergaven (bijvoorbeeld Augustinus’ Belijdenissen) misten hun uitwerking niet op het culturele bewustzijn en op religieuze en morele biografieën.

De referentiepunten van dit schuldbegrip kwamen onder vuur te liggen in de periode van de verlichting en door de wetenschappelijke bestudering van mens en natuur, alsmede door het inzicht in de historiciteit en daarmee van de maakbaarheid van de sociale orde. De nieuwe fundering van de schuld wordt daarom door Kant consequent verlegd naar het morele subject. De moraal vindt volgens Kant haar grond in de praktische rede van het subject die a priori wetgevend is en een eigen causaliteit van de vrijheid realiseert die niet is af te leiden uit de causaliteit van de natuur.

De uiteindelijke grond van de schuld ligt dus in de vrijheid zichzelf kwade handelingsregels te geven en wordt dus verlegd van de kwade daad naar de innerlijke handeling, namelijk het besluit om zich bij de oriëntatie van de wil niet uitsluitend door de overeenstemming met de morele wet te laten leiden. Op deze manier radicaliseert Kant het kwaad en de schuld tot misstappen van de vrijheid zelf die uiteindelijk onverklaarbaar blijven.

De geradicaliseerde verinnerlijking van vrijheid en schuldbewustzijn, geplaatst tegenover een uiterlijk ‘rijk van de natuur’ waarin de mens als onvrij wordt beschouwd, wordt door Marx, Nietzsche en Freud als een louter innerlijke weerspiegeling van uiterlijke verhoudingen bekritiseerd. Bij deze denkers boet de status van de zedelijke schuld als onvoorwaardelijk en authentiek aan kracht in. In de twintigste eeuw wordt de schulddimensie van de misdaden van het nationaal-socialisme tot onderwerp van ethische reflectie gemaakt. De morele dimensie van historische gebeurtenissen wordt in begrippen van ‘collectieve schuld’ van volkeren of samenlevingen geduid (Jaspers 1946). Ricoeur probeert in zijn Finitude et culpabilité het schuldbewustzijn opnieuw te begrijpen als uitdrukking van zowel het zedelijk kwaad als van de individuele vrijheid, maar daarbij recht te doen aan de empirische determinanten van het schuldgevoel en de symboliek van de schuldbekentenis. Recentelijk richtte Ricoeur zich op de ethische dimensies van het geheugen en de op de toekomst gerichte zin van het herinneren.

Tegenwoordig wordt ook de indirecte betrokkenheid bij wereldwijde samenhangen en afhankelijkheden, evenals de kwaliteit van de levensvoorwaarden, binnen de horizon van het schuldbewustzijn getrokken. Het morele schuldbegrip, dat wezenlijk verbonden is met het aanrekenen van handelingen en gevolgen aan een individueel subject, lijkt hiermee echter te zwaar te worden belast. Op het niveau van de alledaagse en overzichtelijke persoonlijke handelingsverantwoordelijkheid lijkt morele schuld daarentegen in toenemende mate door psychologisch-pathologische duidingen te worden uitgehold.

Literatuur
Augustinus, Belijdenissen, vertaald door G. Wijdeveld, Amsterdam, 1997.
Baumann, U., K-J. Kuschel, Wie kann denn ein Mensch schuldig werden? Literarische und theologische Perspektiven von Schuld, München, 1990.
Delumeau, J., Le péché et la peur. La culpabilisation en Occident XIIIe-XVIIIe siècles, Paris, 1983.
Fishkin.J., The Limits of Obligation, New Haven, 1987.
Heidegger, M., Zijn en tijd, vertaald door M. Wildschut, Amsterdam, 1998 (1927).
Honnefelder, L., ‘Zur Philosophie der Schuld’, Theologische Quartalschrift, vol. 155, 1975, pp. 31-48.
Jaspers, K., Die Schuldfrage, Heidelberg, 1946.
Köpcke-Duttler, A., (Hrsg.) Schuld - Strafe - Versöhnung. Ein interdisziplinäres Gespräch, Mainz, 1990.
Ricoeur, P., Philosophie de la volonté. Tome II: Finitude et culpabilité, Paris, 1960.
Ricoeur, P., Het kwaad; een uitdaging aan de filosofie en theologie, vertaald door J. De Visscher, Kampen, 1994 (1986).
Taylor, G., Pride, Shame, and Guilt: Emotions of Self-Assessment, Oxford, 1985.

(C. Mandry)