Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Gepubliceerd op 29-10-2019

Ordening

betekenis & definitie

1° Economie,

a) Begrip.

Wat onder o. in den meest algemeenen zin moet worden verstaan, geeft de encycliek „Quadragesimo Anno” aan met deze woorden: „Maar het is alleen de zedenwet, die, gelijk zij ons beveelt bij al ons doen en laten ons te richten naar ons hoogste en laatste doel, ons ook verplicht in elke afzonderlijke orde van zaken rechtstreeks dat doel na te streven, waarvan ons verstand zegt, dat het door de natuur of liever door God, den Schepper der natuur, voor die bepaalde orde van zaken is vastgesteld, en dat bijzonder doel dan telkens in de juiste verhouding ondergeschikt te maken aan het ééne einddoel”. In dezen zin ligt opgesloten, dat o. een zaak is van principieelen aard, alsmede dat deze tot stand komt door een synthese der afzonderlijke doeleinden. Wanneer men dit goed inziet, is het duidelijk, dat vele maatregelen tegenwoordig met de benaming o. versierd worden, welke allerminst een zoo verre strekking hebben. Niet elke maatregel, die gericht is op de saneering van een onderneming of zelfs van een geheelen bedrijfstak, is op zich zelf reeds een ordeningsmaatregel. Wanneer een dgl. maatregel of een dgl. coördinatie geen ander doel heeft dan het eigen doel van de ondernemingen, die worden gesaneerd of gecoördineerd, dan wordt wellicht het materiaal voor de o. geschikter gemaakt; maar de naar eigen wezen verticale o. eischt meer. De ondernemingsdoeleinden en de doeleinden der bedrijfstakken moeten op hooger gelegen doeleinden worden gericht: o. eischt subordinatie van doeleinden.

b) Verwezenlijking.

In eiken tijd en in elke maatschappij moet deze orde, deze synthese van doeleinden, onder de leiding van de sociale rechtvaardigheid en de sociale liefde worden nagestreefd. Uit het bloot vrije streven der individuen kan deze synthese niet ontstaan. Het gaat het inzicht en de macht der enkelingen te boven, om de nastrevenswaardige doeleinden op de juiste plaats te stellen en, remmend hier en stuwend ginds, een evenwichtig geheel te scheppen. Deze synthese kan en moet trapsgewijze verwerkelijkt worden. Er zijn daarom in de maatschappij organen noodig, die, staande boven de enkelingen en leidinggevend met dwingend gezag, op eigen gebied de hier geldende doeleinden verbinden, waarna een steeds hooger liggend orgaan deze verbonden doeleinden weer in een hoogere synthese verbindt, totdat ten slotte de hoogste overheid in de gemeenschap de laatste dier verbindingen in een eindsynthese vereenigt. Deze trapsgewijze opbouw van lagere naar hoogere organen eischt het → subsidiariteitsbeginsel, zooals Q. A. dit met een beroep op de sociale wijsbegeerte uiteenzet. Dit beteekent echter niet, dat de hoogste overheid slechts een weinig belangrijke taak zou hebben te vervullen en nog minder, dat zij passief zou mogen blijven in het ontstaansproces dier organen. Integendeel. De hoogste overheid heeft, krachtens haar eigen specifieke taak, er voor te waken, dat de lagere organen hun eigen doeleinden dienen in overeenstemming met de door de hoogste overheid bedoelde eindsynthese. En daarenboven is het haar plicht, om door het scheppen van geschikte organen en in het leven roepen der noodzakelijke voorwaarden, zooveel als binnen haar bereik en beleid ligt, de enkelingen tot de gewenschte samenwerking te brengen. Want, al is het waar, dat bij afwezigheid van een goede mentaliteit bij hen, die in de organen moeten samenwerken, aan deze organen de levenskracht ontbreekt, evenzeer is het waar, dat een aanwezige goede mentaliteit zich alleen in geschikte organen kan uitwerken en dat een verplichte samenwerking een nog ongunstige mentaliteit gunstig kan beïnvloeden. In een geordende maatschappij kan en moet de overheid aan de lagere organen hun eigen taak laten; bij de omvorming eener niet op bewuste synthese van doeleinden geordende maatschappij tot een geordende moet de overheid een actieve, leidende en dwingende rol spelen, natuurlijk met verstand en beleid.

c) Gebondenheid en vrijheid.

Doelbewuste leiding van lagere en hoogere organen is dus essentieel voor o. Uiteraard brengt deze steeds een zekere gebondenheid mee voor de individueele strevingen. Hoe ver deze gebondenheid zal gaan en hoe ver vrijheid zal bestaan is — binnen de grenzen van den eerbied, aan de menscheliike persoonlijkheid en haar eigen rechten verschuldigd — een vraag van doelmatigheid, die moet worden opgelost naar concrete omstandigheden en mogelijkheden. In de gebonden vrijheid, die de geordende maatschappij zal kenmerken, zal naar omstandigheden nu eens een menging van meer vrijheid met minder gebondenheid kunnen gekozen worden, dan weer een menging van minder vrijheid met meer gebondenheid moeten worden toegepast. Bij de keuze van de middelen gaat het om een aan de concrete omstandigheden aangepaste menging van de positieve bestanddeelen van vrijheid en gebondenheid. Daarom ook is de concrete uitwerking der ordeningsgedachte voor de huidige maatschappij een geheel eigentijdsch vraagstuk, dat men niet oplost met verwijzing naar de M.E. Het is daarenboven een internationaal vraagstuk, in zooverre de volkeren over en weer elkaars nationale o. moeten eerbiedigen en deze derhalve zoo moeten opbouwen, dat ieder volk naar eigen aard zijn welzijn kan bereiken en zoo kan meewerken aan de Godsverheerlijking, die het einddoel is van al het geschapene. Zoowel absolute vrijhandel als volledige autarkie is met dit respect voor gezonde nationale o. in strijd. De concrete oplossing van dit nieuwe vraagstuk der eigentijdsche o. kan slechts geleidelijk worden gevonden. Juist al doende zullen concrete moeilijkheden tot oplossing geraken of kunnen worden omgaan.

Vgl. nog → Beroepsstand; → Corporatieve staat.

Lit.: M. J. H. Cobbenhagen, Duurzaam econ. herstel alleen mogelijk door o. in productie en handel (1934); id., vsch. art. in het maandschrift „Economie” (le en 2e jg.); F. de Vries, Regeling of Vrijheid (1935); Ch. Raaymakers, O. in het bedrijfsleven in het algemeen (1937); C. Beekenkamp, O. (geeft de samenvatting v. d. ordeningsgedachten in vsch. kringen) ; J. Messner, Die Berufständische O. (1937); L’organisation corporative (Semaines Sociales de France, 1935). Cobbenhagen.

2° Wiskunde.

Ordenende relatie tusschen de elementen van een verzameling, bijv.: a vóór b, a en b worden door c en d gescheiden en omgekeerd.

Het belang van de o. blijkt o.a. uit de theorie van de oneindige reeksen, waar verschil in rangschikking verschil in waarde kan veroorzaken. Zoo is de som van de oneindige reeks 1—1/2+ 1/3+1/44+1/5—1/6+1/7—... slechts het 2/3 gedeelte van de som van de reeks l+1/3—1/2+1/5i+1/71/4+.. die uit dezelfde termen bestaat, maar waarin de volgorde zóó is gewijzigd, dat de negatieve termen, in plaats van telkens na één, telkens na twee positieve termen komen. In de intuïtionistische verzamelingsleer dient de o. om de begrippen van optelling (som) en vermenigvuldiging (product) te verscherpen. In de axiomatiek treedt een axioma van cyclische ordening op, waardoor een on veranderlijke rangschikking (van onderling scheiden) tusschen alle puntenviertallen wordt gepostuleerd, als bij vier punten op een cirkel. De noodzakelijkheid van dit axioma werd door Fano aangetoond. Drost.