Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Gepubliceerd op 22-07-2019

2019-07-22

Haat

betekenis & definitie

Haat - (Lat. odium) is in den meest strikten zin des woords een afkeer, waardoor men zich van het slechte als in zich boos en verwerpelijk afwendt en het zou willen vernietigen; in minderstrikten zin is het een verafschuwen van het kwaad als voor ons lastig en schadelijk, terwijl het in de meest algemeene beteekenis een afkeer is van het leelijke en slechte.

Wat inderdaad slecht is, verdient afkeer en haat. Daarom mag en moet men de zonde haten. Het zedelijk slechte in den evenmensch mag men af keuren en verafschuwen; binnen de grenzen eener geregelde liefde tot zich zelf mag men ook afkeer hebben van wat voor ons nadeelig is. Maar in den evenmensch haten wat van God komt, nl. natuur en genade, is zonde. Ieder mensch, ook wanneer zijn daden verkeerd of voor ons schadelijk zijn, is een afbeelding van God en bestemd om het bovennatuurlijk genadeleven te ontvangen en te bewaren: de haat ziet in het zijn van den naaste een kwaad, dat men wil bestrijden en wegnemen. Daarom zegt de H. Joannes: „Wie zijn broeder haat, is een moordenaar” (1 Joh. 3. 15).

De voornaamste bron van haat is de nijd. Men keert zich af van wat bedroeft; de nijd nu is droefheid over het goede van den naaste en zoo wordt door den nijd het goede in een evenmensch een voorwerp van afkeer en haat.

Daar God de goedheid zelf is, kan niemand, die God in zijn wezen schouwt, Hem haten. Op aarde echter schouwt de mensch God niet, maar kent Hem uit zijn werken, en daarom is het mogelijk, dat afkeer van Gods werkingen tot haat wordt tegen God zelf, wanneer iemand God verafschuwt of God vijandig gezind is, bijv. omdat Hij het kwaad straft en het lijden toelaat. Haat tegen God is de zwaarste zonde als directe afkeering van God en sterkste tegenstelling van de liefde tot God.

Lit.: St. Thom. (I. II. q. 29 ; II. II. q. 34); St. Alfonsus, Theol. Mor. (II).