Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Gepubliceerd op 22-07-2019

God

betekenis & definitie

God - het hoogste, uit zich zelf bestaande wezen, Schepper en Heer van hemel en aarde.

A) De mensch heeft kennis van God niet alleen door de goddelijke openbaring, waarop de geloofskennis berust, maar ook door het natuurlijk inzicht van het menschelijk verstand. Rom. 1.20: Want zijn onzichtbaar wezen, zijn eeuwige macht en zijn godheid is van de schepping der wereld af, bij eenig nadenken, uit het geschapene duidelijk te kennen. Conc. van het Vaticaan (Denz. 1806): Indien iemand zegt, dat de eene en ware God, onze Schepper en Heer, uit het geschapene, door het natuurlijk licht van het menschelijk verstand niet met zekerheid kan gekend worden, hij zij in den ban. Deze Kath. leer is in tegenspraak met het ➝ Agnosticisme, ➝ Immanentisme, ➝ Kant, Traditionalisme. De Prot. theologie staat, in verband met de Prot. leer omtrent de erfzonde, afwijzend tegenover de zekere natuurlijke godskennis.

Ondanks de mogelijkheid dezer kennis is de bovennatuurlijke openbaring van de waarheden over God, die op natuurlijke wijze gekend kunnen worden, zedelijkerwijze noodzakelijk, opdat allen gemakkelijk, met zekerheid en zonder dwaling deze waarheden kunnen kennen. De menschelijke kennis van God is hier op aarde onvolmaakt en vol raadsels. De begrippen, die we ontleenen aan de schepselen, zijn niet in denzelfden zin toekenbaar aan God en schepselen, maar volgens analoge overeenkomst. ➝ Analogie. Het eigene van God wordt door het menschelijk begrip slechts benaderd door ontkenning van de onvolmaaktheden en sublimeering van de volmaaktheden van het schepsel. In den geloovige wordt de natuurlijke godskennis vervolmaakt door de geloofskennis. Het geloof vindt in de natuurlijke kennis omtrent God geen beletsel, maar zijn ondergrond en redelijke verantwoording.

B) Het bestaan van God is zeker krachtens het geloof en door middel van de godsbewijzen. Gods bestaan is voor het menschelijk verstand niet onmiddellijk duidelijk. ➝ Ontologisme. Ook niet door een bewijsvoering a priori bewijsbaar. ➝ Anselmus van Canterbury. Het godsbewijs is a posteriori, besluit van de dingen der wereld, als veroorzaakt, tot God, als de oorzaak. Door hun veranderlijk en wisselvallig zijn, hun zijn bij deelhebbing, waarvan de laatste grond niet in henzelf te vinden is, wijzen zij naar een eerste oorzaak, waarvan ze afhankelijk zijn.

Op verschillende manieren kan een godsbewijs worden opgesteld. Klassiek zijn de „vijf wegen”, waarlangs Thomas van Aquino tot het godsbestaan komt (S. Theol. I, q. 2, a. 3). Het eerste bewijs besluit tot het bestaan van een onbeweeglijken beweger van alles wat in beweging is; het tweede tot het bestaan van een eerste onveroorzaakte oorzaak; het derde tot het bestaan van een volstrekt noodzakelijk wezen; het vierde tot het bestaan van een hoogste goed, hoogste waarheid, hoogste zijn; het vijfde (het teleologische godsbewijs) tot het bestaan van een verstandelijk wezen, hetwelk de dingen der natuur naar hun doel richt. In de godsbewijzen is de algemeene, onwetenschappelijke overtuiging van het godsbestaan wetenschappelijk verantwoord.

Het godsbestaan wordt ontkend door het ➝ atheïsme. Voor zeer velen is het bestaan van het kwaad in de wereld reden om het godsbestaan te loochenen. Maar al blijft in het bestaan van het kwaad veel raadselachtig, het mag niet voeren tot ontkenning van het godsbestaan, want blijkbaar is het mogelijk, dat een goede oorzaak kwaad in de gevolgen toelaat. Wijl het bestaan van kwaad in de wereld dus niet de onmogelijkheid van het bestaan van een volmaakte goddelijke oorzaak bewijst, is het onlogisch daarom het zeker bewezen bestaan van God te ontkennen.

C) God heeft niet het zijn bij deelhebbing, behoort niet tot een bepaalde soort en categorie, maar is het zelfstandig staande zijn (esse subsistens). Hij is het zijn zonder meer. Ex. 3.13-15. Hierdoor is God van alles buiten Hem onderscheiden. God is zuivere daadwerkelijkheid. ➝ Actus purus. De verschillende volmaaktheden, die aan God worden toegekend, zijn in Hem noch van Gods wezen, noch van elkaar werkelijk onderscheiden. Het onderscheid wordt slechts door het menschelijk verstand gemaakt; in Gods eindelooze volmaaktheid en volheid van zijn vindt dit zijn rechtvaardiging. Goddelijke attributen zijn: ➝ enkelvoudigheid, onveranderlijkheid, eeuwigheid, onmetelijkheid, alomtegenwoordigheid, oneindige volmaaktheid, almacht. Deze eigenschappen worden aan God in de H. Schrift toegekend en zijn afleidbaar door het verstand uit Gods wezen, het zelfstandig staande zijn.
D) Er is maar één God. Deut. 4.35. Is. 44.6. Als er meer goden zouden bestaan, zouden ze, om velen te kunnen zijn, in iets onderscheiden moeten zijn. Dan zou in den een iets gevonden worden, wat de ander mist. Maar de oneindige volmaaktheid van God sluit het missen van eenige zijnsvolmaaktheid uit. Het onderscheid kan dus niet in een volmaaktheid zijn grond vinden. Ook niet in een onvolmaaktheid, want het goddelijke wezen is vrij van onvolmaaktheid. Het bestaan van meer goden is derhalve een ongerijmdheid. ➝ Polytheïsme.
E) God is volstrekt onveranderlijk en tegelijk het hoogste leven. Uit het teleologisch godsbewijs blijkt God een levend, kennend en willend wezen. Zijn leven is dat van een zuiver geestelijk wezen. De zuivere daadwerkelijkheid van God sluit alle stoffelijkheid, waarin uiteraard potentialiteit is, uit. Daarom komen aan God op de volmaaktste wijze de geestelijke werkingen van kennen en willen toe.

God kent op oneindig volmaakte wijze Zichzelf en alle mogelijke en feitelijk bestaande dingen. De kennis van Zichzelf en der mogelijke dingen is in God noodzakelijk, die der feitelijk bestaande dingen is vrij, want zij bestaan alleen afhankelijk van een vrij wilsbesluit van God. De kennis van God is onveranderlijk en onafhankelijk van de geschapen dingen, die krachtens Gods ideeën tot stand komen. Augustinus (de Trinit. 15.13): „God kent alle geestelijke en stoffelijke schepselen, niet omdat zij zijn, maar zij zijn, omdat Hij ze kent”. Ook al het toekomstige, zoowel wat noodzakelijk als wat niet noodzakelijk en vrij gebeurt, wordt door God met onfeilbare zekerheid gekend. Om Gods eeuwigheid is er voor Hem geen verleden en toekomst.

Alles is voor Hem tegenwoordig in het onwankelbare nu der eeuwigheid. Wat voor den mensch toekomstig is, staat voor God vast als tegenwoordig voor Hem. Voor Gods kennis is Zijn eigen wezen het eenige kenmiddel. Zijn wezen en kracht volledig doorgrondend, kent Hij alles wat buiten Hem is, omdat het als maaksel besloten ligt in Zijn kracht. De H. Schrift looft Gods wijsheid, o.a. Ps. 103.24,146.5; vooral in het Boek der Spreuken, Boek der Wijsheid en Prediker.

De H. Schrift noemt Gods wil, o.a. Ps. 134.6, Mt. 6.10. De wil van God is volstrekt onafhankelijk van alle goed buiten Hem. Dit kan Gods wil niet bewegen als een doel. Het willen van God, volledig verzadigd van Gods eigen goedheid, is geen begeerte om te krijgen, maar alleen wil om te geven.

Zichzelf wil en bemint God met een noodzakelijke liefde. Alles wat buiten Hem is, wil Hij vrij. Geen enkel kwaad wordt door God gewild om het kwaad zelf. Het natuurlijke (physieke) kwaad kan God willen om een hooger doel te bereiken. Het zedelijke kwaad kan God niet willen, omdat het tegen God Zelf gekeerd is. Hij laat het toe.

De volstrekte wil van God wordt altijd vervuld, want niets ontsnapt aan de universeele oorzakelijkheid van God. Hieruit volgt niet, dat al het door God gewilde noodzakelijk gebeurt, want alles gebeurt op de wijze, die Hij in het gebeurende wil. Gods willen is oneindig heilig (Deut. 32.4), rechtvaardig (Jer. 123.6), ➝ barmhartig (Ps. 135), trouw (Rom. 3.4).

F) God is van de dingen der wereld werkelijk onderscheiden. Monisme en Pantheïsme miskennen den waren aard van God, omdat zij God (het volstrekt onveranderlijke, de zuivere daadwerkelijkheid) vereenzelvigen met de wereld (het veranderlijke, potentieele). Door God te erkennen als een geestelijk levend wezen, belijden we Hem als persoonlijken God. ➝ Persoon. De natuurlijke rede kent God als persoon, maar zij kan niet het onderscheid van drie personen in God bewijzen. Dit leert de goddelijke openbaring. ➝ Drieëenheid. De openbaring leert ook de bijzondere houding van den persoonlijken God tegenover den mensch kennen; nl. die van vader tegenover kind. ➝ Genade;

➝ Eeuwig leven.

G) God heeft de wereld voortgebracht uit het niet. ➝ Schepping. God blijft de geschapen dingen in stand houden. ➝ Behoud. Door zijn voorzienigheid en bestuur richt en leidt God de dingen der wereld tot het door God gestelde doel. ➝ Voorzienigheid. Speciale voorzienigheid heeft God met betrekking tot den mensch. Hij wil alle menschen zalig maken. ➝ Heil. Krachtens de voorbeschikking richt God hen, die feitelijk de eeuwige zaligheid bereiken, tot dit bovennatuurlijk heil. ➝ Voorbeschikking. Den mensch, die zich vrijwillig door de zonde uiteindelijk van God afkeert, straft Hij met eeuwige straf. ➝ Hel; Verwerping.
H) De hier gegeven Kath. leer omtrent God ligt voor een groot deel vast in deze uitspraak van het Vaticaansch Concilie (Denz. 1782): „Wij belijden, dat er één ware en levende God is, Schepper en Heer van hemel en aarde, almachtig, eeuwig, onmetelijk, onbegrijpelijk, oneindig in verstand en wil en alle volmaaktheid. Omdat Hij een enkele, volstrekt enkelvoudige en onveranderlijke, geestelijke zelfstandigheid is, moet men zeggen, dat Hij van de wereld werkelijk en wezenlijk onderscheiden is en uit Zich volmaakt gelukkig en boven alles, wat buiten Hem bestaat en gedacht kan worden, onuitsprekelijk verheven”.
I) God is niet alleen de eerste werkoorzaak, Hij is ook doeloorzaak van alles buiten Hem. God heeft alles gemaakt om Zichzelf, tot verheerlijking van Zichzelf. ➝ Glorie van God. God wil de schepping als een afglans en gelijkenis van Zijn eigen volmaaktheid, want God kan niets buiten zich, maar alleen Zichzelf tot doel hebben. Omdat het doel van den maker ook het doel van het maaksel is, is God het doel van de schepselen. Zij zijn om God te verheerlijken. De mensch is de dienaar van God, omdat hij dient tot de verheerlijking van God. Hij doet dit door Gods oppermacht te erkennen door middel van speciale godsdienstige handelingen, waarmee hij God als den Opperheer van alles huldigt. Ook door zijn leven te richten naar Gods wet, waardoor hij de verre gelijkenis met Gods volkomenheid bereikt, die God in zijn schepping wil. Als het leven van den mensch afgestemd is op zichzelf en niet op God, wordt God als het einddoel van alles miskend en de essentieele verhouding van schepsel tot Schepper practisch geloochend.

Lit.: Alph. Mulders, Van den éénen God (21931); P. Garrigou-Lagrange, Dieu, Son existence et sa nature (51928); A. D. Sertillanges, Les sources de la croyance en Dieu (1905); C. Gutberlet, Gott der Einige und Dreifaltige (1907); Chr.

Pesch, Gott der Eine und Dreieinige (1926); G. v. Noort, Tract, de Deo uno et trio (41928).

Kreling.

Voorstelling van God in de kunst. De eerste Christelijke monumenten tot aan de 5e eeuw geven, steunend op vsch. teksten der H. Schrift, als symbool van God een hand uit de wolken. Elke materieele voorstelling van God werd destijds als strijdig met den Christelijken geest beschouwd. Zie verder ➝ Christus; Drieëenheid; Geest (Heilige). Lit.: L Bréhier, L’art chrétien (Parijs 1928); D. Vincenzo Casagrande, L’arte a servizio della chiesa (II Turijn 1932); A. Michel, Hist. de l’art (vgl. index 202).

p. Gerlachus.