Wat is de betekenis van Haat?

2019
2020-11-24
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

haat

haat - Zelfstandignaamwoord 1. een sterk gevoel van vijandschap haat - Werkwoord 1. enkelvoud tegenwoordige tijd van haten 2. gebiedenwijs van haten

Lees verder
2018
2020-11-24
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

haat

haat - zelfstandig naamwoord 1. gevoel van grote afkeer en woede ♢ ik haat de jongen die mij in de steek liet 1. haat en nijd [veel ruzie] Zelfstandig naamwoord: haat de...

Lees verder
1990
2020-11-24
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

haat

haat - Toestand van intense vijandigheid en afkeer die gewoonlijk het gevolg is van angst, woede, verachting en/of gekwetst of beledigd zijn.

1973
2020-11-24
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

haat

m., een gevoel van diepe afkeer met de begeerte leed te doen: — tegen iemand opvatten, voeden; bittere, dodelijke —; zaaien; uit handelen; bij uitbreiding ook tegenover zaken of begrippen: hij haatte al die vreemde gebruiken met een onverzoenlijke —; blinde -, die voor niets terugdeinst; machteloze —, die niet in daden tot u...

Lees verder
1955
2020-11-24
Katholicisme encyclopedie

Onder redactie van Prof. dr. J.C. Groot

HAAT

is een daad of toestand waarin we iets of iemand waarderen als een kwaad. Omdat onze kennis van God niet volmaakt is, kunnen we ertoe komen God te haten, ofwel in zover men kwaad van Hem meent te moeten duchten of verduren (haat van afschuw), ofwel in zover men van Hem als Persoon afkeer heeft en Hem kwaad toewenst (haat van vijandschap). In beide...

Lees verder
1939
2020-11-24
Humoristisch woordenboek

Amusant-Zorgenverdrijvend Woordenboek (De Kolibri)

Haat

Liefdesuiting, die de mens ’t meest ligt.

1933
2020-11-24
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Haat

Haat - (Lat. odium) is in den meest strikten zin des woords een afkeer, waardoor men zich van het slechte als in zich boos en verwerpelijk afwendt en het zou willen vernietigen; in minderstrikten zin is het een verafschuwen van het kwaad als voor ons lastig en schadelijk, terwijl het in de meest algemeene beteekenis een afkeer is van het leelijke e...

Lees verder
1898
2020-11-24
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Haat

HAAT, m. een gevoel van diepen afkeer voor iemand, gepaard met de begeerte om dien persoon leed te doen haat tegen iemand opvatten, voeden; — een blinde haat, die voor niets terugdeinst; een machtelooze haat; — alleen haat en nijd doet hem zoo spreken; —(bij uitbr. ook tegenover zaken of begrippen) hij haatte al die vreemde gebr...

Lees verder
1898
2020-11-24
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Haat

zie Af keer.

1870
2020-11-24
Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Haat

Haat noemt men den bepaalden afkeer van den eenen mensch met betrekking tot een ander. Haat is dus het tegenovergestelde van liefde of toegenegenheid jegens den naaste. Beide — haat en liefde — staan in dezelfde onderlinge verhouding als afstooting en aantrekking, als smart en vreugde. Immers wij gevoelen ons aangetrokken door personen, die aangena...

Lees verder