Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Gepubliceerd op 18-04-2019

Brussel

betekenis & definitie

Brussel - in de 10e eeuw vermeld als Bruocsella („het huis in het broek”), Lat. Bruxella, Fr.

Bruxelles, Eng. Brussels, D. Brüssel, hoofdstad van de provincie Brabant en van het koninkrijk België, residentie van het Hof, zetel van de regeering, van de voornaamste bestuurscolleges, Centraalgouvernement der Kongo-kolonie, de Rekenkamer, een pauselijke nuntiatuur, de buitenlandsche legaties en een aantal consulaten. De eigenlijke gemeente Brussel telt minder inwoners dan de gemeente Antwerpen ; de agglomeratie, bekend als Groot Brussel, is echter de volkrijkste van België en, door de verscheidenheid en den omvang der bedrijvigheid op commercieel, industrieel en cultureel gebied, het voornaamste centrum van het land. B. ligt op 50° 51' N. en 40° 22' O.

Grootte: 1 Jan. 1933: 3.392 ha (eerste district: 1.085 ha; tweede district: 2.307 ha); daarin beslaan de openbare verkeerswegen 405 ha en de parken [Warande, Leopold-park, Jubeljaar(Cinquantenaire-)park, Park van Laken, Terkamerenbosch] 214 ha. Het oorspronkelijk grondgebied van B. (ong. 450 ha) werd herhaaldelijk vergroot in de 19e eeuw: in 1853 en 1864 door annexatie van de Leopoldwijk, de Louisalaan en Terkamerenbosch, en het Jubeljaar-(Cinquantenaire-)Kwartier; in 1921, door aanhechting van de voormalige gemeenten Laken, Neder-Over-Heembeek en Haren, met gedeelten van Schaarbeek en Molenbeek (het zgn. tweede district). De stad heeft zich langs alle zijden ontwikkeld en telt een aantal voorsteden, die gansch met de oorspronkelijke stadskern vergroeid zijn. De onmiddellijke voorsteden, die reeds in de late middeleeuwen „onder de cuype van Brussel” gerekend werden, zijn: St. Joostten-Noode, Schaarbeek, Laken, St. Jans-Molenbeek, Anderlecht (Kuregem), St.

Gillis, Elsene. Een tweede zone van voorsteden vormen: Etterbeek, Ukkel, Vorst, Koekelberg, Ganshoren, St. Pieters-Jette. Bij Groot-Brussel worden thans nog gerekend: St. Lambrechts- en St.

Pieters-Woluwe, Oudergem, Watermaal-Boschvoorde, St. Agatha-Berchem en Evere. Samen met Brussel hebben deze gemeenten een totale oppervlakte van 16.161 ha, waarvan het eigenlijk stadsdeel mag geraamd worden op ca. 7.000 ha. De stad breidt zich naar alle kanten verder uit en menig dorp in den verderen cirkel rondom B. telt honderden inwoners (werklieden, bedienden en staatsambtenaars vooral), die hun dagelijksche bezigheden in de groote stad vinden. De invloed, die van de stad uitgaat, is niet altijd gunstig: in Vlaamschgezinde kringen noemt men dat de „Brusselsche olievlek”.

Klimaat, → België (Klimaat). Het Koninklijk Weerkundig Instituut, vroeger binnen de stad gelegen, is thans in de voorstad Ukkel, ter hoogte van 100 m, opgericht.

Bodem. Brussel bekleedt de twee oevers van een breede vallei, gevormd door de Zenne, een zijrivier van den Rupel. De grond is bijna overal zandachtig (Brusseliaansche zandlaag); alleen in de laagten vindt men Quaternaire Alluviale formaties. Binnen de oude (verdwenen) stadswallen schommelt de bodemverhevenheid tusschen 19 en 56 m boven den zeespiegel. De zgn. „hooge stad” ligt op den rechteroever. Dit stadsgedeelte, dat zich verder uitstrekt over St.

Gillis, Elsene, St. Joost-ten-Noode en Schaarbeek, wordt doorsneden door de diepe vallei van de Maalbeek, en reikt tot aan de vallei van de Woluwe. In de voorsteden van den rechteroever treft men heuvelruggen aan van 80 tot 100 m. De „lage stad” ligt op den linkeroever in Z.W. richting (voorsteden Molenbeek en Kuregem); de vallei is hier breeder; het verder afgelegen heuvelland met hoogten van 70 tot 80 m werd echter ook reeds bereikt door de groeiende stad (Koekelberg, Jette, Laken). Alzoo is GrootBrussel een stad met vele klimmende en dalende straten, met pittoreske uitzichten over de daken van de lagere stad, op het verre akker- en boschland van de Brabantsche heuvels. In de vallei werden, parallel met de Zenne, het zeekanaal Brussel—Rupel en het kanaal Brussel—Charleroi gegraven.

Bevolking. Op 1 Jan. 1933 telde B. 199.634 inw. (ca. 140.000 in het eerste district; 60.000 in het tweede district). Dit getal bedroeg ongeveer 35.000 in 1435; 75.000 in 1785; 100.000 in 1830; 118.239 in 1846; 161.816 in 1876; 183.686 in 1900. Van dan af begint het bevolkingscijfer gestadig te dalen. In 1920 was het gezakt tot 154.801. Door de annexatie van het tweede district, in 1921, vermeerderde het aantal met 55.000 inw.; in 1923 telde de vergroote stad alzoo 215.145 inw.; in 1930 nog 200.433. Ondanks den aangroei van de bevolking in het tweede district verminderde het getal inwoners van jaar tot jaar in het oude centrale stadsgedeelte (in 1932 nog ongeveer 105.000, dus nagenoeg het peil van 1830).

Oorzaken van deze vermindering zijn: de uitbreiding van allerlei administratieve diensten, financieele en commercieele instellingen e.d., die meer en meer beslag leggen op groote bouwcomplexen, die vroeger tot woning dienden; het sloopen van dichtbevolkte populaire woonwijken, die vervangen werden door ruimere straten en minder bevolkte handelshuizen; de gemakkelijke vervoermiddelen, welke velen, die hun dagelijksch werk in het centrum der stad hebben, er toe brengen in de gezondere nieuwe kwartieren van de peripherie te gaan wonen; eindelijk het zeer lage geboortecijfer. De voorsteden St. Joost-ten-Noode, St. Gillis en St. jans-Molenbeek boeken, om dezelfde redenen, vooral de laatste, een daling in hun bevolking. Op 1 Jan. 1933 bedroeg de gezamenlijke bevolking van Groot-Brussel 913.289 inw. (892.183 in 1932).

De dichtheid der bevolking is als volgt: meer dan 260 per ha te St. Joost-ten-Noode en St. Gillis; 150 te Schaarbeek; 130 in Brussel eerste district, Etterbeek en Elsene; 115 te Koekelberg en Molenbeek; 63 te Vorst; 44 te Anderlecht en Jette; 26 te Brussel tweede district, te Ganshoren en St. Lambrechts-Woluwe; 20 te Ukkel.

Het geboortecijfer is dalende: in de periode 1867—1870: 38,8 per 1.000 inw.; 1891—1900: 26,1; 1911—’15: 16,3; 1916—’20 (oorlogstijd): 11,3; 1921— 1925:14,4; 1926:12,1; 1930:11,9; 1931: 9,5; 1932: 8,5 (voor het gansche land: 17,6). Te zelfder tijd stelt men vast, dat het aantal geboorten van onwettige kinderen ook daalt: in de periode 1867—’70: 25,7% van de geboorten; 1911—15: 28,8%; 1921—’25: 17,5%; 1930:16,7%; 1932:18,6%. In 1932 telde men te Brussel voor 100 levend geboren kinderen 6,08 doodgeboren kinderen (5,24 in 1930).

Het sterftecijfer was dalende tot de periode 1921—’25: in 1867—’70: 29,8 per 1.000 inw.; 1891— 1900: 20,6; 1921—’25: 11,8; is thans weer stijgende: 1926—’30:12,8; 1932:13,0. De kindersterfte is in B. relatief hoog: 19,2% in de periode 1867—1900; 11,7% in 1926—’30; 7,65% in 1931; 8,18% in 1932. De sterfte aan tuberculose bedroeg in 1932: 9,57% van het totaal aantal sterfgevallen; aan andere epidemische ziekten: 3,04%; aan kanker: 12,26%.

In de periode 1867—’70 bedroeg het jaarlijksch overschot der geboorten op de sterfgevallen 9 op 1 000 inw.; in 1921—’25 nog 2,6. In de laatste jaren zijn de verhoudingen omgekeerd; in 1929 waren 2,8 sterfgevallen meer dan geboorten op 1.000 inw.; in 1932 nog 0,6.

Het aantal huwelijken bedroeg in 1930: 2.077; in 1932: 1.820. Het aantal echtscheidingen was in diezelfde jaren 208 en 197.

Volgens de telling van 1930 waren er te B. 29.870 gebouwen, bevattend 75.753 woongelegenheden. In 1932 bedroeg de totale vestiging te B.: 31.655, tegen 30.981 in 1930; het totale vertrek: 32.043, tegen 31.162 in 1930. Uit het buitenland kwamen 1.882 (2.871 in 1930) menschen zich te B. vestigen (resp. 97 en 167 Nederlanders); 770 (946) menschen vertrokken naar het buitenland (resp. 59 en 99 naar Nederland). Binnen de stad werden in 1932: 20.720 (17.260 in 1930) veranderingen van woning geboekt, waarin 38.095 (29.980) personen betrokken waren.

Taaltoestand.

Volgens de officieele telling van 1930 (die, wat B. betreft, van Vlaamsch standpunt uit niet geheel te vertrouwen is) zijn te B. 26.002 personen, die alleen Nederlandsch verstaan en 67.633, die verklaarden uitsluitend Fransch te spreken; 96.042 spreken de twee landstalen en 3.415 bovendien ook Duitsch. (In deze telling kwamen kinderen beneden de 2 jaar en de vreemdelingen niet in aanmerking.) In de groote voorsteden zijn de toestanden ongeveer dezelfde; de voorsteden langs den Westkant en aan de peripherie zijn overwegend Vlaamsch gebleven. Voor 100 jaar was B. een Nederlandsch sprekende stad zooals Antwerpen en Gent. De stelselmatige verfransching, door middel van de lagere school vooral, heeft B. uitwendig tot een Fransch sprekende stad gemaakt, al spreken het volk en de kleinere burgerij nog steeds overwegend een Vlaamsch dialect. Hoewel zich te B. meer Vlamingen dan Walen vestigen (in 1931 ongeveer 21.000 Vlamingen, tegen 14.000 Walen), moet toch de gestadige achteruitgang van de VI. taal hier als feit erkend worden.

Tegen dit denationaliseeringsproces wordt thans met goed gevolg gereageerd door het Vlaamsch Verbond van Brussel, groepeerend alle Vlaamsche cultureele vereenigingen van de agglomeratie, alsmede de provinciale bonden, waaronder de machtige Bond der West-Vlamingen te Brussel. De taalverwarring bij de Vlaamsche volksmenschen te B. is ontzettend. Het halfslachtig Fransch-Vlaamsch taaltje, dat alzoo ontstaan is en wel expressief en sappig is, wordt soms aangeduid als „marollentaal” (naar het volkskwartier der Marollen omtrent de Hoogstraat) of „Beulemansch” (naar den held van een bekend Brusselsch tooneelstuk).

Godsdienst.

De bevolking van Brussel, alhoewel van huis uit Katholiek, telt zooals alle groote steden een aanzienlijk aantal menschen, die met alle godsdienstige practijken gebroken hebben: meer dan drievierde bezoekt geen kerk meer; een vijfde wordt niet meer kerkelijk begraven, alhoewel het getal der niet-gedoopten nog betrekkelijk laag blijft. Protestanten en Israëlieten vormen een kleine minderheid, meestal van buitenlandschen oorsprong. B. telt 19 parochiën (hiervan 6 in het tweede district); Groot-Brussel 75, ingedeeld in 6 dekenaten. De Protestantsche eeredienst beschikt over 6 Evangelische, 1 Gereformeerde en 2 Anglicaansche kerken. De Israëlietische eeredienst heeft één synagoog, zetel van het Centraal Israëlietisch Consistorie van België.

Stadsplan. De eerste nederzetting te B. is te zoeken in het lage broekland, bij de brug waar de oude verkeersweg van Keulen naar de zee de Zenne overschreed. In de middeleeuwen ontwikkelde de stad zich in de lengte langs deze baan, den „steenweg” (thans: Vlaamsche Steenweg, St. Catharinastraat, Grasmarkt, Magdalenastraat, Hofberg), die, loopend van West naar Oost, tot in de 19e eeuw de voornaamste en drukste verkeersweg van de stad bleef. Een eerste uitgroei van de al vroeg omwalde stad geschiedde buiten de Steenpoort in Zuidelijke richting, langs de Hoogstraat, de oude baan naar Parijs. In de tweede helft van de 14e eeuw kreeg B. door den bouw van de nieuwe stadsmuren den bekenden vorm van een schild. Gedurende eeuwen beschikte de stad alzoo over voldoende ruimte om zich te ontwikkelen.

Op het einde van de 18e eeuw was de gansche oppervlakte intra muros nog niet volgebouwd. In 1810 gaf Napoleon het bevel tot het sloopen van de oude stadsmuren. Op de plaats er van werden boulevards aangelegd (1818—’38). In den loop der 19e eeuw groeide B. in snel tempo aan; langs alle kanten zette de stad zich uit over het grondgebied der aangrenzende gemeenten, die, nog landelijke dorpen in het begin der eeuw, tot integreerende voorsteden van de groote stad werden. De ontwikkeling was vooral aanzienlijk naar het Oosten (ook N.O. en Z.O.); op dit hooger gedeelte der stad ontstonden weelderige residentiewijken (o.a. de Leopoldwijk, Louisalaan, Jubeljaar-(Cinquantenaire-)wijk. In de lage stad, waar bij de kanalen en spoorwegen vele fabrieken opgericht werden, bleef meer het gewone volk wonen.

In den loop van de 19e eeuw werden gansche wijken van de oude stad afgebroken, de nauwe steegjes werden naar de eischen van de hygiëne en de stadseconomie vervangen door ruime verkeerswegen, zoodat het primitieve stadsplan grondig gewijzigd werd. Het was gouverneur-generaal Karel van Lorreinen, die op het einde van de 18e eeuw de moderniseering van B. inzette door het aanleggen van een nieuw stadskwartier, omvattend het Koninklijk plein, de Warande en de aangrenzende straten, en een ander stadskwartier rondom het Martelaarsplein (1775). Mooie architectonische ensembles ontstonden daar. In de lagere stad was het overwelven van de Zenne en het aanleggen van de centrale boulevards (1868— ’74) de aanleiding tot een grondigen ombouw. Het oprichten van het Justitiepaleis (1866) en de voorbereidende werken voor de (nog niet voltrokken) Noord-Zuid-spoorverbinding verplichtten tot afbraak van verschillende oude wijken. Zoo ontstond tusschen de St.

Goedelekerk en den Hofberg een modern kwartier, waar groote bankgebouwen oprezen. Niettegenstaande die aanzienlijke moderniseering bleven de oude historische monumenten met zorg bewaard, ook waar het mogelijk was met hun oud kader (bijv. de Groote markt). Op vele plaatsen van het centraal stadsgedeelte treft men nog schilderachtige oude huizen aan. Vooral koning Leopold II zorgde voor grootscheepsche verfraaiingen van zijn hoofdstad. Vermeld moeten worden de parken en squares van de Leopold- en Jubeljaar(Cinquantenaire-)wijken, de grootsche Tervuursche laan met de villawijken van Woluwe en Oudergem, het Noord-Oost-kwartier van Schaarbeek, de Solboschwijk en de mooie kwartieren rondom Terkameren en Ukkel, de Koekelbergsche hoogvlakte met het Elisabethpark, waar thans de nationale Basiliek van het H. Hart in aanbouw is, en niet het minst het publiek park van Laken en de Meissche laan, waar thans het Eeuwfeestkwartier, bij gelegenheid van de internationale tentoonstelling van 1935, naar des konings opzet, verwezenlijkt wordt. Niettegenstaande het herhaald ingrijpen van den grooten koning ging de ontwikkeling van de stad niet volgens een vast plan.

De gemeentebesturen der onderscheiden voorsteden maakten de extensieplannen op voor de eigen gemeente, zonder zich veel te bekommeren om gemeenschappelijke doeleinden. De zoo noodzakelijke verstandhouding is pas enkele jaren geleden tot stand gekomen, dank zij de Conferentie van burgemeesters der Brusselsche agglomeratie, die geregeld vergaderingen houdt, waarop alle kwesties, die bij gemeenschappelijk overleg kunnen behandeld worden, te berde worden gebracht (bijv. politie, verkeer, openbare werken, enz.). Aldus is het mogelijk geworden eenige orde te brengen in de stadsontwikkeling en gezamenlijk plannen te bestudeeren om aan het steeds drukker wordend verkeer tusschen de oude centrale stad, het werkgebied, en de nieuwere woonwijken aan de peripherie te beantwoorden. Reeds bestaan aan de randen van de voorsteden een reeks boulevards, die den tweeden ring rondom de stad uitmaken. Op vele plaatsen, vooral naar het Oosten toe, groeide de stad reeds buiten dezen ring (o.m. vele tuinwijken). Men spreekt thans van een derden ring, die een groot deel van de oppervlakte der provincie binnen zijn cirkel zou omvatten. Het nijverheidsgebied ontwikkelt zich in de vallei en vormt een indrukwekkende, bijna onafgebroken reeks fabrieken van Vilvoorde tot Halle. “Lindemans.

” Bezienswaardigheden. De driebeukige Sint Goedelekerk (eig. Collegiaalkerk van Sint Michiel en St. Goedele) is een synthese van 13eeeuwsche tot 16e eeuwsche Gotiek. Onder de bouwmeesters noemt men Jan van Ruysbroek (1485), die ook aan het stadhuis werkte. Het koor bestaat uit twee deelen: het voorste stuk is van 1225—’50 in Romano-Gotiek opgetrokken, het koor zelf echter geeft zuivere vroeg-Gotiek (1270—1280).

Uit de 15e eeuw zijn de twee onvoltooide torens (68 m) in flamboyanten stijl. De ramen zijn uit de 16e eeuw. De preekstoel van Hendrik Verbrugghen (1699) was oorspronkelijk voor de Jezuïeten-kerk van Leuven bestemd, doch kwam gedurende de opheffing der Orde (1776) in de Sint Goedele terecht. De koorstoelen zijn van de abdij van Vorst. De pijlerbeelden van het middenschip stellen de Apostelen voor en zijn het werk van Tobias van Meldert, Duquesnoy en Faid’herbe.

Ter eere van de wonderbare hosties werd in 1539 de Sacramentskapel gebouwd en voorzien van vier groote ramen (1546—1547) naar ontwerpen van Bernard van Orley en Michiel Coxcie. De zes groote wandtapijten met de geschiedenis van het wonder zijn werk van het eind der 18e eeuw. De schatkamer bevat kostbaar kerkelijk vaatwerk en enkele reliquiaria (zoo het schrijn van het H. Kruis in Angelsaksischen stijl, 11e eeuw). Enkele deelen der kerk moeten nog uit de 11e eeuw zijn.

Het inwendige der Sint Nicolaaskerk, wier oorsprong ook in de 11e eeuw moet liggen, vertoont Gotiek (pijlers) en Barok (hoogaltaar). Daar bevindt zich ook het beeld van 0. L. Vrouw van Peis. De Kapellekerk (eig. 0. L. Vrouw van de Kapelle) heeft een zeer vroeg-Gotisch koor en transept (12e—13e eeuw), terwijl een deel van het middenschip nog Romaansch is. Een ander deel en de torens zijn in flamboyanten stijl opgetrokken (15e eeuw). De ornamentiek is uiterst grillig, wijnblad en leliebloem overheerschen. De waterspuwende monsters dragen kleinere monsters in hun schoot.

Het gebouw is in 1813 en 1860 gerestaureerd. De Zavelkerk (S. Maria ad Sabulum) gaat terug op 1304, maar wat er bestaat, dateert uit de 15e en 16e eeuw (laat-Gotiek). In 1859 ontdekte men er oude fresco ’s.

Van de 5 schepen zijn er slechts 3 over. Het Zuiderportaal is in 1907 vrij goed gerestaureerd. De grafkapel der stichters vertoont beeldhouwwerk van Faid’herbe, Jer. Duquesnoy, Quellinus en Grupello.

Geheel op Fransch model bouwden in de 18e en de 19e eeuw Guimard en Montoyer de Klassicistische Sint Jacob op den Coudenberg. De tempel was wel geschikt om tijdens de Revolutie als „tempel der Rede” gebruikt te worden! Den stijl van de Romeinsche Barok (Pozzo) verraadt de aan Wenceslaus Coeberger toegeschreven Sint Jan Baptist op het Begijnhof. De drie deelen van den gevel correspondeeren met de drie beuken. Op het koor de afgeknotte toren met achthoekige lantaarn. Schilderwerk van Otto Venius, Abr. van Diepenbeek, den Brusselaar Th. van Loon en Caspar de Crayer.

Een ivoren Christusbeeld, toegeschreven aan Duquesnoy. Veel schilderijen bevat de in 1850 herbouwde Sint Katelijnekerk (14e eeuw), o.a. een Ten-Hemel-Opneming van Maria, toegeschreven aan Rubens. In neo-Renaissance naar Romeinsch voorbeeld (S. Trinità de’Monti) bouwde in 1849 T. J. Suys de Sint Jozef op het Frère Orban-plein.

Het door Jan van Ruysbroek (1402—1454) ontworpen stadhuis op de Groote Markt is op een rechthoekig grondplan gebouwd, terwijl een binnenplaats (met 2 marmeren fonteinen) is vrijgehouden. Op de hoeken kleine naar voren springende, achthoekige torens. Het dak is omlijst door een uitgetande balustrade. De Westelijke vleugel is 40 jaar na de voltooiing van den bouw vergroot. De gevelbeelden zijn modern, evenals die van het portaal, dat niet in de as van den toren staat. De toren (die later als voorbeeld diende voor de Geertrui van Leuven, het Walter Scottmonument te Edinburg, enz.) draagt op zijn 114 m hooge spits een verguld koperen beeld van Sint-Michiel, werk van Martin van Rode.

Zijn vier onderste verdiepingen zijn op kwadraat grondplan gebouwd, dan volgen 3 verdiepingen op 8-hoekig plan en het geheel wordt bekroond door een pyramide-vormige spits. De verschillende rijk geornamenteerde zalen (in overwegend laat-Gotischen stijl) bevatten veel schilder- en beeldhouwwerk en enkele vrij goede tapijtwerken. De eeretrap is in Barokstijl gehouden. Tegenover het stadhuis ligt het Broodhuis (Maison du Roi, uit 1405), nu Stedelijk Museum.

In 1626 en in 1873 werd het gebouw totaal, doch niet tot zijn voordeel gerestaureerd. In het inwendige veel schilder- en beeldhouwwerk. Al de 40 overige huizen van de Groote Markt zijn merkwaardig: het zijn de huizen der ambachten, in Vlaamsch-Barok opgetrokken na de brandramp van 1695 en met veel liefde en kunstzin gerestaureerd door de zorgen van burgemeester Karel Buls.

B. is minder rijk aan middeleeuwsche gebouwen dan vele andere Vlaamsche steden; behalve de reeds vermelde kerken en het stadhuis kan alleen gewezen worden op de Hallepoort en enkele andere schaarsche overblijfselen van de oude stadsmuren, eenige onderbouwen van huizen, het Hof van Ravesteyn en het Hof van Nassau (einde 15e eeuw). Uit het begin van de 17e eeuw is de populaire fontein Manneken-pis van Jérôme Duquesnoy (1619). Daarentegen vindt men in de oude stad, vooral in de straten rondom de Groote Markt, op den Hofberg, in de buurt van de Oude Graanmarkt, op den Vlaamschen Steenweg, de Hoogstraat enz., nog vele sierlijke oude huizen uit het begin der 18e eeuw. Van het einde dier eeuw zijn de smaakvolle ensembles op het Koninklijk Plein, de Warande, de Koninklijke Bibliotheek en het Martelaarsplein.

Onder de latere gebouwen neemt het Justitiepaleis, gebouwd naar de plannen van J. Poelaert, de eerste plaats in (1866—’83); het is het aanzienlijkste gebouw, dat op het Europeesch vasteland in de 19e eeuw opgericht werd; het beslaat een oppervlakte van 24.600 m2; de koepel is 103 m hoog. Vermeld moeten nog worden het Koninklijk paleis (1829, veranderd in Louis XVI-stijl in 1904), het Paleis der Natie (1783), zetel van het parlement, het Academieënpaleis (1829), de Botanische Tuin (1830), de Muntschouwburg (1817), de Nationale Bank (1860), de Handelsbeurs (1873), het Museum voor Schoone Kunsten (1881), de Vlaamsche Schouwburg (1887), het Paleis der Schoone Kunsten (architect Horta,1928). De voornaamste gedenkteekens zijn: de Congreszuil met standbeeld van Leopold I (1859), waaronder het Graf van den Onbekenden soldaat uit den Wereldoorlog; de Triomfboog van het Jubeljaar-(Cinquantenaire-)paleis, waarboven het quadrivium van Thomas Vinçotte (1905); het ruiterstandbeeld van Leopold II, het meesterstuk van Vinçotte en een der schoonste ruiterbeelden van alle tijden; verder standbeelden van Egmont en Hoorn, op den Kleinen Zavel, waar omheen de 48 bronzen beeldjes der ambachten (1882); van Godfried van Bouillon (1848); Vesalius (1847); Helmont (1889); Anneessens (1889), enz., naast talrijke gedenkteekens van den Wereldoorlog. Op het grondgebied der voormalige gemeente Laken vallen aan te stippen: het Koninklijk Paleis (18e eeuw), de O. L. Vrouw-Kerk in de neo-Gotiek van de 19e eeuw, met de koninklijke grafkapel, waar o.a. het stoffelijk overschot van Leopold I, Leopold II en Albert I bijgezet werd; het kerkhof met vele merkwaardige grafmonumenten; het park met het Leopold I gedenkteeken en het Belvédère-paleis; de Japansche toren en het Chineesch museum; de Neptunusfontein, copie van het werk van een Vlaamschen beeldhouwer te Bologna in 1564; het stadion (1930), waar 80.000 toeschouwers kunnen plaats vinden.

Het Koninklijk Museum van Oude Kunst (Regenciestraat) is een der rijkste van de wereld: alle oude Vlaamsche meesters zijn er schitterend vertegenwoordigd. Ook het Kon. Museum van Moderne Kunst (aldaar) geeft een goed overzicht van de Belgische moderne schilder- en beeldhouwkunst. Het Wiertzmuseum bewaart in ’s meesters atelier eenige van zijn monumentale gewrochten. Het Kon. Museum voor Kunst en Geschiedenis (Jubeljaar- of Cinquantenairepaleis) bezit de belangrijkste verzameling van archeologische vondsten op Belgisch grondgebied gedaan, naast rijke reeksen voorwerpen, afgietsels, enz. uit de Egyptische (o.a. van de Egyptologische Stichting Koningin Elisabeth, onder leiding van Capart), Aziatische (o.a. van de Belgische opgravingen te Apamea), Grieksche en Italiaansche Oudheid; een tweede sectie bewaart merkwaardige producten van de oude Belgische kunstnijverheden, waaronder tapijten kantwerk een belangrijke plaats innemen; de derde sectie groepeert de ethnographische en folkloristische verzamelingen.

De oude wapens zijn ondergebracht in het Museum van de Hallepoort. De moderne krijgskundige verzamelingen bevinden zich in het Kon. Museum van het Leger, in een vleugel van het Jubeljaar-(Cinquantenaire-)paleis. Verder zijn nog bezienswaardig: het rijke Kon. Natuurkundig Museum (Leopoldpark) en het Koloniaal Museum (Park van Tervuren).

Lit.: Hymans, B., in Les Villes d’art célèbres (1910); idem, in Berühmte Kunststätten (50, 1910); Dumont-Wilden, B. et Louvain (1916); des Marez, Guide illustré de B. (I en II 31928, III 21918); Fayard, B. (1928); Van Zijpe, B. (z.j.); Saintenoy, Les arts et les artistes à la cour de B., no. 1440 v. d. Publicaties der Kon. Belg. Acad. (1932); Duverger, De Brusselsche steenbickeleren der 14e en 15e eeuw (1933).

Knipping/Lindemans.

” Handel.

De Brusselsche agglomeratie is in den loop van de 19e eeuw het belangrijkste handelscentrum van België geworden op Antwerpen na. Is er minder groothandel en doorvoerhandel dan te Antwerpen, de eigen handel, de tusschenhandel en kleinhandel in winkels en magazijnen zijn er zeker meer ontwikkeld. Voor het verdeelen van waren over het land zijn de Brusselsche firma’s even belangrijk als de Antwerpsche en voor duizenden menschen uit het binnenland is B. de voornaamste koopstad. Er zijn dan te B. tallooze winkels, waar de meest verscheiden waren te koop gesteld worden. De uitstallingen in de winkelramen, vooral in de drukke handelsstraten, zijn uiterst verzorgd. Er zijn ook enkele groote warenhuizen.

Voor den tusschenhandel bestaan een aantal markten, o.a. voor groenten en fruit (Hallen, St. Goriksmarkt, St. Kathelijnenmarkt, Anderlecht, enz.) en bloemen (Groote Markt); de totale omzet bedroeg in de drie verkoophallen in 1933 ca. 120 000 000 frs.; op de Vischmijn werd in 1932 voor 14 064 724 frs. visch verkocht (16 439 340 frs. in 1931). De veemarkten worden gehouden te Anderlecht. In het abattoir van B. werden in 1932 de volgende hoeveelheden ter slachting aangeboden: varkens 29 443 (in 1931: 28 910), runderen 11 666 (9 379), kalveren 13 629 (12 759), paarden 4366 (4688), schapen en geiten 609 (716), totaal 59 308 (56 354) stuks. Er wordt nog veel geslagen vleesch te B. binnengevoerd.

De Internationale Jaarbeurs van B. (sedert 1920) telde 2602 tentoonstellers in 1931.

Bank- en Credietwezen.

Het middelpunt van den geldhandel is de Effectenbeurs, eigendom van de stad. In 1933 waren 221 bankiers en 1493 wisselagenten ingeschreven. Hun aantal bedroeg over 1932 en 1931 resp. 243 en 1596; 590 en 1257. De voornaamste beursdag is Woensdag.

Te B. is de hoofdzetel gevestigd van de Nationale Bank van België, die het Belgisch bankpapier uitgeeft. Andere banken met hoofdzetel te B. zijn: de Société Générale de Belgique (gesticht in 1822) met een sociaal bezit van 2 091 276 000 frs. (1932), en haar filiale de Banque Belge pour l’Etranger (opgericht in 1902); het Gemeentecrediet van België (1860); de Banque de Bruxelles (1871); de Caisse Générale de Reports et de Dépots (1874); de Algemeene Bankvereeniging. Vele binnen- en buitenlandsche banken hebben belangrijke bijhuizen te B. De Algemeene Spaar- en Lijfrentekas werd gesticht in 1865 en staat onder staatsbeheer.

Verkeer.

Te water.

Sedert Nov. 1922 kunnen zeeschepen van 3000 Moorsomton (M. T.) en Rijnbooten van boven de 2000 ton Brussel bereiken langs de vergroote Willebroeksche Vaart tot Wintham, den Rupel en de Schelde. De zeescheepvaart boekte in 1932: 1514 (1616 in 1931) in- en uitvarende schepen, met een gezamenlijken inhoud van bruto 2 195 802 (1 951 761) M. T. 3, netto 777 902 (689 611) M. T., die tezamen 671 608 (533 235) ton goederen vervoerden. Ongeveer 36% van deze schepen voeren onder Britsche vlag; 32% onder Nederlandsche.

De zeevaart- en haveninrichtingen, beheerd door de S. A. du Canal et des Installations Maritimes, beschikken in de voorhaven over 600 m kade voor zeeschepen en 10 electrische kranen van 3 en 10 ton; in de eigenlijke haven over 34 electrische kranen van 1½ en 20 ton. De binnenscheepvaart langs de kanalen Brussel-Charleroi en Brussel-Willebroek beliep in 1932 tot 37 237 (36 858 in 1931) schepen met een bruto-inhoud van 8 838 986 (7 769 761) M. T. 3 en een gezamenlijke lading van 3 942 515 (3 627 260) ton goederen. De totale havenbeweging van B. bedroeg, in 1932, 4 614 123 (4 159 495) netto ton (1 793 882 in 1921, vóór de voltooiing van de zeevaartwerken). Wanneer de vergrootingswerken van de vaart op Charleroi zullen voltrokken zijn, zoodat ook deze waterweg toegankelijk zal zijn voor schepen van 1350 ton (tot Klabbeek) en van 300 ton (tot Charleroi), zal de binnenscheepvaart te B. nog aanzienlijk toenemen.

Thans bestaan de volgende geregelde verbindingen: 2 maal per week met Londen, Amsterdam en Rotterdam; 1 maal per week met Haarlem en Denemarken; 3 maal per maand met Hamburg. Verder verschillende dagelijksche beurten op Antwerpen, en wekelijksche op Boom, Rupelmonde, Temsche, St. Amands, Lokeren, Gent en Roeselare.

De per schip aangevoerde waren zijn vooral: steenkool (203 623 ton in 1932), timmerhout (119 264 t), kaolien (11 564 t), benzine (2 390 t), stukgoed (40 323 t); onder de uitgevoerde komen vooral in aanmerking: cokes (127 332 t) en stukgoed (51 596 t).

Spoorwegverkeer.

Van het Noordstation vertrekken de lijnen Brussel-Mechelen-Antwerpen-Amsterdam; B.-Leuven-Luik-Keulen; B.-Dendermonde; B.-Denderleeuw-Kortrijk. De treinen naar Gent en de zeekust vertrekken deels uit het Noorden deels uit het Zuidstation. Van dit laatste vertrekken ook de lijnen B.-Bergen-Parijs; B.-Doornik-Rijsel; B.-Nijvel-Charleroi. De treinen naar Luxemburg-Bazel vertrekken meestal uit het station van de Leopoldwijk.

Door het bestaan van een ringbaan om B. is het feitelijk mogelijk treinen in alle richtingen uit de drie Brusselsche hoofdstations te laten vertrekken. Een plan om de zgn. Noord-Zuidverbinding, dwars door de stad, tot stand te brengen, kreeg een begin van uitvoering vóór den oorlog; er werd voorloopig van afgezien wegens de te hoog loopende kosten, ondanks herhaalde stemmingen ten voordeel er van in het Parlement.

Locaal en stadsverkeer.

Een aantal electrische trams en autobussen verzekeren het verkeer binnen de stad en de voorsteden alsmede met de verderop gelegen gemeenten in alle richtingen. Het steeds drukker wordend verkeer stelt op sommige uren van den dag hooge eischen aan de met de regeling er van belaste politie. Allerlei plannen om dwars door de stad eenige ruimere verkeerswegen te bekomen (o.a. door benuttiging van de ondergrondsche bedding van de Zenne, die zelf langs de vaart zou afgeleid worden) moesten wegens de te hooge kosten tot betere tijden verschoven worden.

Luchtverkeer.

Voor het luchtverkeer beschikt Brussel over het rijksvliegveld van Haren. Hier bestaan geregelde dagelijksche verbindingen (passagiers, goederen, post) met Amsterdam, Londen, Parijs, Keulen, Dusseldorf-Berlijn, Essen-Hamburg-Kopenhagen-Malmö, ingericht door of in samenwerking met de S. A. Belge d’Exploitation de la Navigation Aérienne (Sabena).

Nijverheid.

B. is het middelpunt van een der belangrijkste industriegebieden van België, waarin alle takken van nijverheid ruim vertegenwoordigd zijn. Dit gebied strekt zich uit, over een afstand van nagenoeg 60 km, in de Zennevallei, langs de vaarten, van Halle tot Vilvoorde. Op het eigenlijk grondgebied van B. zijn de groote fabrieken niet talrijk. In het tweede district (Laken en Haren) vindt men: metaalindustrie (kachelfabrieken, fabrieken van machines en gereedschappen), chemische industrie (scheikundige producten, kleurstoffen, enz.), cementindustrie, houtzagerijen, graanmolens, margarine- en chocoladefabrieken.

Te B. zelf vallen aan te stippen: allerlei kunstateliers, luxe-meubelen, papierbewerking, fabrieken van hoeden, corsets, handschoenen, regenschermen, muziekinstrumenten; ateliers voor kleeding; lederbewerking; edelsmederij, juweelbewerking en meer dgl. industrie van zoogezegde weeldeartikelen. Bij de afzonderlijke voorsteden wordt de aldaar bestaande nijverheid vermeld. Volgens de beroeptelling van 1926 waren 40 385 arbeiders werkzaam in de metaalnijverheid, 8 690 in de kleederindustrie, 3 324 in het bouwbedrijf, 2 791 in voedings- en genotmiddelen, 2 742 in de chemische nijverheid, 2 010 in hout- en meubelindustrie, 1 020 in leer- en schoenind., 979 in textielind., 861 in papierind., 774 in boekind., 483 in transportbedrijf, 465 in tabaks- en sigarenind., 380 in aardewerkind., 264 in glasind., 204 in marmerbewerking, 186 in cementindustrie.

Bestuur en huishouding der gemeente.

De Raad telt 41 leden. De zetelverdeeling is als volgt (1933): Katholieken 13, Liberalen 15, Socialisten 12, Communisten 1. Het College van Burgemeester en Schepenen telt 8 leden. In 1932 zetelde de Raad 15 maal in pleno en hield 125 sectievergaderingen; het College hield 96 zittingen, waarop 17 016 zaken afgehandeld werden.

Financiën: de rekening van den gewonen dienst vertoonde in 1932 de volgende cijfers:

Inkomsten 343 833 584,83 frs.

Uitgaven 343 818 518,65 frs.

Batig saldo 15 066,18 frs.

Die van den buitengewonen dienst:

Inkomsten 144 762 038,41 frs.

Uitgaven 143 883 807,58 frs.

Batig saldo 878 230,83 frs.

Om een volledig beeld te bekomen van den omvang der financieele administratie van Groot-Brussel zou bij deze cijfers het bedrag der begrootingen van de voorsteden gevoegd moeten worden.

Openbare orde en veiligheid.

Politie.

De Brusselsche politie is ingedeeld in 10 commissariaten. Er is een arrestantenhuis, geheeten Amigo (in de middeleeuwen: vroente, verward door de Spanjaards met: vriend). In 1932 werden door de politie 15 754 (19 497 in 1931) processen-verbaal opgemaakt van strafbare feiten, waaronder 10 312 voor misdrijven genoemd in het strafwetboek en overtredingen van bijzondere wetten; 3 649 voor overtredingen van de wet op het rondventen; 610 van die op de prostitutie; 592 voor openbare dronkenschap; 198 voor bedelarij en 493 correctioneele zaken, die voor de raadskamer verzonden werden. De politierechtbank velde 18 287 vonnissen. Bovendien bleven 5 467 zaken zonder gevolg.

Gerechtelijke instellingen.

B. is de zetel van het Hof van Cassatie voor het heele land; van het Hof van Beroep voor de provinciën Antwerpen, Brabant en Henegouwen; van een Rechtbank van eersten aanleg, een Handelsrechtbank, twee werkrechtersraden (eerst instantie en hooger beroep), een Militaire rechtbank en een Militair Hof en 4 kantonale Vredegerechten.

Brandweer.

Bijna elke gemeente der Brusselsche agglomeratie heeft een eigen brandweercorps. Het corps der „sapeurs-pompiers” van B. telt 282 manschappen; het werd 653 maal gealarmeerd in 1932, o.a. voor 316 schoorsteenbranden.

Openbare gezondheid.

De tusschenkomst van het stadsbestuur laat zich hier gelden door bemiddeling van de Commissie voor Openbaren Onderstand, een officieel corps, bestaande uit 12 leden, rechtstreeks aangeduid door den gemeenteraad. Deze commissie heeft o.a. het beheer over de volgende inrichtingen: St. Jans-gasthuis (gesticht in de 12e eeuw en binnenkort te sloopen), met 560 beschikbare bedden voor zieken; St. Pieters-gasthuis (oude leprozerij, tot stadsgasthuis herbouwd in 1785, thans buiten dienst gesteld om op een grootsch en zeer modern plan heringericht te worden, in verstandhouding met de medische faculteit van de Brusselsche universiteit); het Brugmann-hospitaal (1923), met 825 beschikbare en 90 reservebedden voor zieken, waarbij modern ingerichte klinieken van psychiatrie, kankerbestrijding en radiologie; het Godshuis der Infirmerie (vroeger ziekenhuis van het Begijnhof, gesticht in de 13e eeuw), met 500 bedden, waar grijsaards en ongeneesbare zieken worden opgenomen; de „Maternité” (huis voor kraamvrouwenverpleging) der universiteit; de Vereenigde Godshuizen (waarin een twintigtal oude stichtingen versmolten werden), een tehuis, waar 140 oude vrouwen kunnen opgenomen worden; de Pacheco-stichting, voor noodlijdende dames uit den adelstand; het Weezenhuis; het Bragmann-sanatorium te Alsemberg, voor behoeftige teringlijders; het Herstellingsoord de Latour de Freins te Ukkel; het Toevluchtsoord Jouët-Rey te Etterbeek, waar 32 behoeftige oude echtparen een tehuis kunnen vinden; een herstellingsoord aan de zee en luchtkuurhuizen voor kinderen te Limelette en te My; de School voor verpleegsters, huisbezoeksters en vroedvrouwen, gevoegd bij het Brugmann-hospitaal.

De behoeftige zieken van B. en van de gemeenten der agglomeratie, die een overeenkomst gesloten hebben met B. (want de groote voorsteden hebben meestal hun eigen ziekenhuizen en godshuizen), worden kosteloos verpleegd. Een centrale vervoerdienst, waarover dag en nacht kan beschikt worden, is ingericht bij het Brugmann-hospitaal. De ambulance-auto’s van het Roode Kruis van België, die ten dienste staan bij ongevallen, zijn ondergebracht in de kazernen der brandweer. Zij kunnen opgevorderd worden, evenals die van het Brugmann-hospitaal, door bemiddeling der politiecommissariaten.

Aan de behoeftigen der stad worden kostelooze consulten verleend, alsmede kostelooze verpleging in de bovengenoemde ziekenhuizen, met uitsluiting van de tandheelkundige en orthopaedische hulp, voor welke een kleine vergoeding gevraagd wordt. De behoeftigen worden thuis bezocht door inspecteurs van den openbaren onderstand, door artsen en verpleegsters. De kinderen der stadsscholen krijgen kostelooze verpleging (schoolartsen, tandartsen en verpleegsters).

De gemeentelijke gezondheidsdienst houdt zich ook bezig met het voorkomen en bestrijden van besmettelijke ziekten. In 1932 werden 2167 gevallen bekend van besmettelijke ziekten (daaronder 314 gevallen van tuberculose), waarbij 9890 maal de tusschenkomst van het corps der verpleegsters werd gevraagd. De dienst van de ontsmettingen moest 821 maal optreden om kamers en woningen met kleedingstukken enz. te ontsmetten (daaronder 68 volledige ontsmettingen uit hoofde van tuberculose). Er is een bacteriologisch laboratorium voor de opsporing van diphtheritis en van de kiemdragers er van in de scholen. Er is ook een kostelooze dienst voor de vaccinatie tegen pokken, typhus, diphtheritis, mazelen, en een inrichting ter bestrijding van de venerische ziekten.

Naast den openbaren dienst onder stadstoezicht bestaan nog een aantal private inrichtingen: de Kon. Philanthropische Vereeniging van Brussel, die o.a. een gesticht voor blinden en een werk voor het voorkomen van t.b.c. bij de jeugd, bestuurt; het Toevluchtsoord St. Gertrudis en dit der Ursulinenstraat, waar resp. 200 en 310 grijsaards kunnen opgenomen worden; de Kon. Vereeniging ter Bescherming der kinderenmartelaars; het Nationaal Werk ter bestrijding van de tuberculose; het werk ➝ Berg Thabor voor luchtkuur en vacantie-kolonies der schoolkinderen; enz.

De zuigelingenzorg wordt behartigd, onder toezicht van het Nationaal Werk „Kinderlied”, in een twintigtal inrichtingen voor kostelooze raadpleging en huisbezoek door verpleegsters, alsmede 7 „crèches” (baby-bewaarplaatsen).

Toezicht op den handel in voedingswaren. In 1932 bezocht de dienst van inspectie 562 winkels. In het Intercommunaal Laboratorium voor ontledingen van voedingswaren in de Brusselsche agglomeratie werden 60 394 contröle- en ontledingsbewerkingen gedaan, waaronder 18 578 van melk en 3611 van boter; ook werd toezicht gehouden op stallen en zuivelfabrieken buiten de stad. De gemeentelijke gezondheidsdienst houdt ook toezicht op de gebouwen: 924 aanvragen tot bouwen of herbouwen werden door dezen dienst in 1932 onderzocht; 2327 woningen werden aan een hygiënisch onderzoek onderworpen; in 430 er van werden dringende verbeteringen noodig geacht.

B. beschikt over gemeentelijke begraafplaatsen te Evere en te Laken. Sedert een paar jaren is er ook een crematorium te Ukkel-Kalevoet.

De stadsreinigingsdienst is belast met het ophalen van vuilnis en haardasch, met schoonhouden der straten, het sproeien van de straten bij droogte en het ruimen van de sneeuw. In 1932 heeft de dienst 71 142 karrevrachten vuilnis opgehaald, wegend ruim 85 000 ton, waarvan 5000 ton als mest verkocht werd en 80 000 ton per schip naar de stort te Zemst vervoerd werd.

Watervoorziening.

B. betrekt het drinkwater voor de bevolking van verschillende bronnen, in het Zuiden der provincie gelegen (Braine et Bois), en voorziet ook de voorsteden Molenbeek, Ukkel en Wemmel. In 1932 werden 16 721 340 m3 verbruikt. De overige gemeenten der agglomeratie zijn aangesloten bij de Cie. Intercommunale Bruxelloise des Eaux, die het bronwater der riviertjes Bocq (Crupet, Sovet, Spontin) en Houyoux (Modave), alsmede water van de Maas (Ben-Ahin) en weldra ook bronwater van de Dijle (Loupoigne en Vieux-Genappe) opvangt. Het verbruik in 1932 was: 25 914 273 m3. Totaal verbruik van Groot-Brussel: ruim 41 500 000 m3.

Gas.

Er zijn in de Brusselsche agglomeratie 5 gasfabrieken. In 1932 leverde de fabriek gelegen bij de vaart, onder stadsbeheer, 39 652 190 m3 gas, wat een winst van ruim 11 000 000 frs. aan de stad verschafte. De andere gasmaatschappijen zijn: Cie. Continentale du Gaz (2 fabrieken), Cie. Générale de Gaz et d’Electricité (te voren Gaz de Saint-Josse) en Gaz de Saint-Gilles.

Electriciteit.

De Société Bruxelloise d’Electricité, verbonden met de Union intercommunale des Centrales électriques du Brabant (Interbrabant), leverde aan de gemeente Brussel en de bij haar aangesloten voorgemeenten in 1932 een totaal stroomdebiet van 65 377 500 kWh, waarin ruim 2 000 000 kWh voor de straatverlichting. Andere voorsteden ontvangen den stroom van de Cie. gén. de gaz et d’électricité, van de Cie. Electrogaz of van de Interbrabant. In de meeste gemeenten der agglomeratie is de verkoop van electriciteit een gemeentemonopolie. In 1932 ontving de gem. B. alzoo een winstuitkeering van ruim 10 000 000 frs.

Sport.

Sedert 1930 bezit B. een stadion, opgericht naast de terreinen van de Wereldtentoonstelling 1935, waar ruimte is voor 80 000 toeschouwers. Hier kunnen nog genoemd worden: het Sportpaleis te Schaarbeek; het velodroom te Zuun; de 5 paardenrenbanen te Boschvoorde, Dilbeek, Groenendaal, Stokkel en Zellik; verschillende speeltuinen en sportterreinen aan de peripherie (voor voetbal, tennis, korfbal, athletiek, enz.); roeisport op de Willebroeksche vaart.

Volksontwikkeling en -opvoeding.

Zooals overal in België bestaat ook te Brussel naast de officieele gemeente- en staatsscholen, een uitgebreid Katholiek vrij onderwijs, waarvan de leerkrachten gedeeltelijk bezoldigd worden door den Staat, en die verder aangewezen zijn op de vrijgevigheid der Katholieke bevolking. Te B. wordt alzoo jaarlijks door het Kath. schoolcomité nagenoeg 1 000 000 frs. ingezameld ten gerieve van de lagere scholen der agglomeratie. Alhoewel de vrije Kath. scholen ongeveer de helft der Brusselsche schoolgaande kinderen te onderwijzen hebben, ontvangen zij toch geen centiem toelage uit de gemeentekas.

Voorbereidend en lager onderwijs.

De gemeentescholen en kindertuinen zijn verspreid in alle stadskwartieren. De vrije scholen zijn parochiaal ingedeeld.

Normaal onderwijs.

De stad B. heeft haar eigen normaalschool voor lagere onderwijzers en onderwijzeressen; ook een vormschool voor Froebelleeraressen. Er zijn twee staatsnormaalscholen voor meisjes, waarbij een met Nederlandsch als voertaal. Verder twee vrije Kath. normaalscholen: een voor jongens, St. Thomasinstituut, bestuurd door de Broeders der Christelijke scholen; de andere voor meisjes.

Middelbaar onderwijs.

Naast verschillende lagere middelbare scholen, zoowel voor jongens als voor meisjes, officieele en vrije, bestaan de volgende hoogere middelbare scholen in de Brusselsche agglomeratie: Kon. Athenea van Brussel, Elsene, St. Gillis, Schaarbeek; twee gemeentelijke lycea voor meisjes; zes bisschoppelijke colleges met oude en nieuwe humaniora: St. Aloysiusinstituut te B. (alwaar bovendien ook een faculteit van wijsbegeerte gaande tot de candidatuur, een hoogere handelsschool, een school van wijsgeerige en godsdienstige wetenschappen en een wetenschappelijke sectie), St. Bonifacius-instituut te Elsene, St.

Maria-instituut te Schaarbeek, St. Pieters-instituut te Jette, St. Pieters-instituut te Ukkel, O. L. Vrouw-instituut te Kuregem; de colleges bestuurd door de Jezuïeten: St. Michiels- en St. Jan-Berchmans-instituten (evenzoo met oude en nieuwe humaniora); de Kath. hoogere school voor meisjes (Aarlenstraat).

Technisch onderwijs.

Op dit gebied bezit Brussel een aantal gemeentelijke en vrije inrichtingen van allerlei aard: lagere, middelbare en hoogere vakscholen, huishoudscholen, dag- en avondscholen voor alle ambachten. Beperken wij ons hier bij de voornaamste: de Nijverheidsschool van Brussel; de St. Lucasscholen bestuurd door de Broeders der Christ. scholen; de Vakschool Kard. Mercier; de Kon. Academie voor Schoone Kunsten met de School voor Decoratieve Kunsten; de Hoogere Textielschool van Brabant; het Nation. Instituut der Gistingsnijverheden; de School voor Radiotelegraphie; het Hooger Handels- en Koloniaal Instituut (2000 leerl.); twee scholen voor Sociaal Dienstbetoon, waarvan één Kath. (Poststraat); de School voor Criminologie en Wetenschappelijke Politie; het Hooger Normaal Instituut voor Landbouwhuishoudkunde te Laken (Landgoed Ossegem); enz.

Hooger onderwijs.

Te B. is een vrije (vrijzinnige) universiteit (gesticht in 1834). In 1930-'31 waren ingeschreven 2494 studenten (waaronder 491 vr.). Naast de faculteiten van wijsbegeerte en letteren, recht, wetenschappen, geneeskunde, toegepaste wetenschappen, zijn aldaar bijzondere scholen voor politieke en sociale wetenschappen, voor opvoedkunde en voor handelswetenschappen. De Solvay-instituten voor physiologie en voor sociologie staan in nauw verband met de universiteit. De Ecole des Hautes Etudes (het Instituut voor Hoogere Studiën in België), met zetel te Brussel, richt cursussen in over vakken, die niet in de universiteit onderwezen worden; een aanhangsel er van is de school voor Ergologie met speciaal laboratorium.

Wetenschappelijke instellingen.

Brussel is de zetel van vele wetenschappelijke vereenigingen: de Kon. Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schoone Kunsten; de Kon. Academie voor Geneeskunde; de Kon. Acad. voor Fransche Taal- en Letterkunde; de Kon. Commissie voor Geschiedenis; de Kon. Commissie voor Monumenten en Landschappen; de Kon.

Commissie voor Toponymie en Dialectologie; het Belgisch Instituut voor vergelijkende Rechtsstudie; de Belgische Koloniale Unie; de Belg. Vereeniging voor Biologie; de Scheikundige Vereeniging van België; het Kon. Aardrijkskundig genootschap van België; het Kon. Genootschap voor Medische en Natuurkundige Wetenschappen; het Kon. Dierkundig Genootschap; het Kon. Archaeologisch Genootschap van Brussel; de Commissie voor Oud-Brussel; het genootschap „Bruxella saera”; de Geschied- en Oudheidkundige Kring van West-Brabant; het Instituut voor Internationale Bibliographie; enz.

Te B. is de zetel van de Universitaire Stichting (kapitaal: 60 000 000 frs.), een instelling, die tot stand kwam onmiddellijk na den oorlog om het universitair onderwijs in België te bevorderen, begaafde jongelieden te helpen in hun studiën door geldelijken steun en beurzen om buitenlandsche wetenschappelijke instellingen te bezoeken en verder de wetenschappelijke genootschappen door geldelijke toelagen te helpen bij hun publicaties. In 1928 kwam op initiatief van koning Albert I het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk onderzoek tot stand (kapitaal: 125 000 000 frs.), waardoor de werking van de Universitaire Stichting merkelijk kon uitgebreid worden. Met de inkomsten van dit fonds worden jonge navorschers bezoldigd, wetenschappelijke proefnemingen gefinancierd (bijv. de stratosfeertocht van prof. Piccard, de opgravingen te Apamea), toelagen verschaft aan laboratoria, enz.

De Kon. ➝ Bibliotheek met haar handschriften-, prenten- en muntenverzamelingen is een van de rijkste van het land. Zij bezit o.a. de kostbare bibliotheek der hertogen van Bourgogne en van den bekenden bibliophiel Van Hulthem. Te B. is ook het rijksarchief gevestigd, dat de rijkste verzameling oorkonden voor de Belgische geschiedenis bezit.

Tooneel.

De voornaamste schouwburgen van B. zijn: de Kon. Muntschouwburg (Fransche opera), de Kon. Vlaamsche Schouwburg (Nederlandsch tooneel), de Kon. Parkschouwburg, het Galeries-theater, het Molière-, het Vaudeville(Fransch tooneel), het Luna(Nederlandsche operetten) en het Alhambra-theater (Fransche operetten). Naast deze theaters met beroepstooneelgezelschappen zijn er een aantal, waar dilettantenvereenigingen optreden.

Muziek.

Behalve voor geregeld operamuziek is er ook te B. bijna dagelijks gelegenheid voor het hooren van vocale en instrumentale muziekconcerten. De voornaamste zijn die, welke ingericht worden door het kon. Muziekconservatorium, de Philharmonische Vereeniging van Brussel, de Ysaye- en Defauwconcerten, de Vereeniging voor Godsdienstige muziek. Onder de Katholieke dilettantenvereenigingen verdient de Schola Cantorum (leiding Eug. Van de Velde) een bijzondere vermelding.

Landsverdediging.

Te Brussel houden garnizoen: 3 infanterieregimenten (grenadiers, karabiniers, 9e linie), 2 cavalerieregimenten (gidsen en 2e lansiers), het 14e bereden artillerieregiment en speciale troepen. Te B. zijn ook de Militaire school en de Krijgsschool gevestigd.

Maatschappelijke steun en voorzorg.

Buiten wat op het gebied van armen- en ziekenzorg door de boven reeds besproken officieele Commissie van Openbaren Onderstand verricht wordt, kan hier nog gewezen worden op het volgende: de Intercommunale dienst voor Beroepskeuze; de Officieele en de Vrije Werkbeurs; het Intercommunaal Werkloozenfonds, waarin, in 1932 het aandeel der stad 1 393 354 frs. (898 170 frs. in 1931) bedroeg voor 12 758 (9697) werkloozen; een Intercommunale kas van Openbaren Bijstand, waarbij aangesloten zijn 189 mutualiteiten van de agglomeratie met, in 1932, 57 000 leden; een Dienst voor Sociale Heraanpassing die, in 1932, 484 gevallen van landlooperij uit ellende en 254 gelibereerde gevangenen te behartigen kreeg; het werk van „het Hoekje grond”, dat aan 500 gezinnen van kleine beambten en werklieden een tuintje van ca. 4 are per gezin verschafte (te zamen 20 ha); een nachtasyl; een Openbare Bank van Leening, gesticht in 1618, die 33 579 180 frs. uitleende in 1932 op 163 475 panden.

Folklore.

De echte Brusselaar is een rondborstige kerel, die houdt van luidruchtig plezier in liefst zoo talrijk mogelijk gezelschap, waar hij het hooge woord mag voeren en enorm aangedikte grappen mag vertellen. De „staminee’s” zitten ’s avonds dan ook geregeld vol en allerlei „sociëteiten”, met populaire presidenten, worden er opgericht. De oude historische vereenigingen hebben er een taai bestaan: zoo het St. Jorisschuttersgild (Grand Serment) gesticht in 1304, en de rederijkerskamer De Wijngaard (1657). Het luchtig „zwanzen” zit den Brusselaars in het bloed: het ontziet niets of niemand. De Brusselaar heeft zijn naam „kiekenfretter” (kippenvreter) niet gestolen: hij houdt van felle drink- en smulpartijen.

De nationale dranken zijn: de sterke lambiek (d.i. bier, van het vat of in flesch: geuzenlambiek en kriekenlambiek) en de flauwere faro (eveneens bier). Als Brusselsche gerechten kunnen vermeld: waterzooi (gekookte kip), schoessels (stoverij van ingewanden), bloedpens. ’s Avonds kan men, in volle straat, aan de stootkarretjes zich te goed doen aan „karakolen” of „wulloksen” (wijngaardslakken), garnaal, mosselen en „patate-fritte”. Gebaksspecialiteiten zijn: amandelbrood, spikelaas (speculaas), „pain-à-la-grecque” (grek, Fransche uitspraak van grecht, nl. de Wolvegracht, straat waar de bakker woonde, die deze koeken bakte), de Lakensche taarten („half-en-half”). De jaarlijksche kermis duurt 6 weken (Juli-Augustus); daarnaast: de Septemberfeesten (herinnering aan de bevrijding van Brussel in 1830) en een aantal wijk-kermissen, waaronder die van de Hoogstraat de meest populaire. B. heeft zooals elke Vlaamsche stad haar reuzen, Janneken en Mieken, die deelnemen aan alle „ommegangen”.

Evenzoo een paar marionettentheaters, o.w. de honderdjarige „poesjenellenkelder” van Toone V (Warschaugang 188, nabij de Hoogstraat). In het kwartier van de Broekstraat wordt jaarlijks nog de Meiboom geplant. Tegenover oude gebruiken die verdwijnen, zooals „Vrouwkensavond”, komen een aantal nieuwere bijgeloovige handelingen op, bijv. het aanraken met de hand, in het voorbijgaan, van een moderne koperen gedenkplaat naast het stadhuis, om onheil af te weren. Brussel is ook rijk aan sagen en legenden.

Lit.: Rapport présenté au Conseil communal (jaarlijks een bundel, de laatste op de raadszitting van 2 Oct. 1933 voorgelegd); P. J. Brunelle, Bruxelles ancien et moderne et ses environs (1819); Eug. Bochart, Bruxelles ancien et nouveau, Dict. hist. des rues, places, édifices, promenades, enz. (1853-’57); Alb. Guislain, Découverte de Bruxelles (1931); Henri Vandeput, Bruxelles port intérieur et fluvial (1926); Jules Zone, Bruxelles port fluvial et maritime 1932); Soc. An. du Canal et des Installations maritimes (rapport 1932); Rich. de Cneudt, De Vervlaamsching van het lager onderwijs in Groot-Brussel (1917); J. Th. Strauwen, Onderwijs- en taaltoestanden in de hoofdstad (1928); J. Ingenbleek, L’enseignement du flamand dans les écoles primaires de la ville de Bruxelles (1931); J. Boon, Herovering van Brussel (1932); G. Mazereol, Klank- en vormleer van het Brusselsch dialect met zijn plaatselijke verscheidenheden (Kon. VI. Acad.

VI 1931, 52); M. Sacré, De oude Brusselsche bieren, in Eigen Schoon (XII 1929); Aimé de Cort,. Kinderspelen uit West-Brussel (21932); A. de Cock en I. Teirlinck, Brabantsch Sagenboek (3 dln. 1909-1912); Cypriaan Verhavert, Brusselsche typen (1923). Tijdschriften: Bulletin communal; Folklore brabançon; Eigen Schoon en De Brabander; Bruxelles. In litterair werk: de romans van Léopold Courouble, o.a. La Famille Kaekebroeck (1902) enz, en van Herman Teirlinck, o.a. Mijnheer Serjanszoon. Het ivoren aapje, Johan Doxa (1908) enz.

Lindemans.

” Geschiedenis.

Midden in het oude Bracbant, bij de Senne, op een eilandje, gevormd door verdubbeling der rivier, is Brosella, Bruocsella (966), d.i. de plaats in het gebroekte, ontstaan. Bij de Hooge Brug is er een burg, zetel van een der vier graafschappen van Bracbant. De kerk beriep zich op S. Gaugericus (S. Géry), bisschop van Kamerijk, als op haar stichter. In de 11e eeuw is het graafschap Brussel met dat van Leuven vereenigd, en het Leuvensche huis verzekerde zich den hertogelijken titel van Neder-Lotharingen en Brabant. Brussel wordt de tweede stad in Brabant; de plaats breidt zich uit naar de hoogte; de reliquieën van S. Goedele, uit Moorsel overgebracht, helpen tevens het centrum verleggen; op Coudenberg komt er een nieuw kasteel, en vanaf hertog Jan I († 1294) wordt dit kasteel een geliefd verblijf van den vorst.

Van af den dood van Jan II (1355) speelt Brussel de rol eener hoofdstad. Voortaan is de stedelijke geschiedenis met die van het hertogdom verbonden. Onder Johanna en Wenceslas werd een nieuwe omheining gebouwd (1379), nl. die der huidige „boulevards”. Vooral in de 16e eeuw is Brussel de weeldestad, waar, naast de gouverneurs, de voornaamste familiën hun hof hebben. Hier vielen Egmont en Hoorne (1568); hier werd Oranje triomfantelijk ingehaald (23 Sept. 1577), maar de overwinning van Don Juan te Gembloers deed hem naar Antwerpen vluchten. In Maart 1585 overwint Farnese de Calvinistische factie en Brussel wordt weder Katholiek en koningsgetrouw. Albrecht en Isabella houden er hun hof en trachten de stad nieuwen luister te bezorgen.

Een nijverheid van weelde-artikelen bloeit er op (Brusselsche kant). In 1695 wordt Brussel gebombardeerd door de Franschen: de brand vernielt het centrum der stad met over de 4000 huizen,de grootste ramp, die Brussel ooit trof. Vanaf de barrière-tractaten is Brussel de zetel der Oostenrijksche gouverneurs en vooral onder Maria Theresia, onder het beleid van Karel van Lotharingen, krijgt Brussel een nieuw hoofdstadskarakter naar den smaak des tijds: eerste overwelving der Senne, nieuwe parken, paleizen, fonteinen. Dan kwamen de Brabantsche omwenteling met de Etats Belgiques, het kortstondig herstel der Oostenrijksche regeering en de inval der Franschen. Vereenigd met Frankrijk, werd Brussel de hoofdstad van het departement der Dyle. Haar weelde-nijverheden, meubelmakerijen, enz. leefden niettemin voort.

Van 1815 tot 1830 was de stad wederom „hoofdstad”, naast die van het Noorden in het koninkrijk der Vereenigde Nederlanden. Geen wonder, dat in 1830 de drang naar zelfstandigheid zich hier het eerst uitte. De strijd om Brussel besliste over het samengaan der twee landen. Sindsdien werd de oude hoofdstad van Brabant de zetel van vorst en Kamers van het onafhankelijk België. Wat de Oostenrijkers hadden aangelegd en gebouwd, kon nu voor de nieuwe landsregeering worden in gebruik genomen en door haar verder ontwikkeld.

Brussel, Conferentie van.

Hiertoe behooren een in 1920 te Brussel gehouden aantal besprekingen van de Entente-mogendheden betreffende het herstelvraagstuk. De eerste besprekingen (Juli) wezen Frankrijk de helft der Duitsche oorlogsvergoeding toe en stelden de prioriteit van België vast. De tweede reeks besprekingen (Sept.-Oct.), door den Volkenbond belegd, betroffen den financieelen toestand van Europa. De derde conferentie (Dec.), waarop ook Duitsche deskundigen genoodigd waren, had tot resultaat het Fransche voorstel van een voorloopige regeling van het herstelvraagstuk op grondslag van jaarlijksche uitbetalingen door Duitschland ter grootte van 3 milliard goudmark; deze conferentie was een inleiding op de Parijsche en Londensche Conferentie van 1921.