Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Gepubliceerd op 04-07-2019

Gemeente

betekenis & definitie

Gemeente - I. Staatkundig

A) Begrip

Staatkundig lichaam, bestaande uit een binnen niet te ruime grenzen besloten grondgebied, waarop een groep burgers binnen het staatsverband een min of meer zelfstandige gemeenschap vormen ter behartiging van de plaatselijke belangen. Voor de g. vóór 1795, zie → Buurtschap; Dorp; Mark; Stad.

B) Oorsprong van het huidige gemeentebestuur. Tijdens de Republiek was er in Nederland een groote verscheidenheid van plaatselijk bestuur. Men onderscheidde er met name de steden (87 in getal) en het platteland, waar schoutambten en heerlijkheden ten aanzien van het locale bestuur een voorname functie vervulden en grootendeels den grondslag vormen van de latere g. ten plattelande. De eerste indeeling in g. berust op de staatsregeling van 1798, die tevens een uniforme bestuursregeling voor de g. invoerde. Bij de grondwetten van 1814 en ’15 werd echter, met de heerlijke rechten, het onderscheid tusschen steden en platteland hersteld. Er werd een nieuwe indeeling in g. gemaakt, welker aantal ruim 1 200 bedroeg. Op deze indeeling berusten hoofdzakelijk de tegenw. g. (Mei 1935: 1 064 in getal). Onder de grondwetten van 1814 en ’15 was het bestuur der g. geregeld bij reglementen, die door den koning bekrachtigd moesten worden. Ten plattelande hadden de gemeentenaren aan de samenstelling van het gemeentebestuur in het geheel geen deel, in de steden werden de leden van den raad voor het leven gekozen, door kiescolleges, op haar beurt gekozen door de gezeten burgers. Hierin en in vele andere zaken betreffende het gemeentewezen is verandering gebracht door de grondwet van 1848 en de daarop berustende gemeentewet van 1851, die, zij het ook herhaaldelijk gewijzigd, nog steeds de g. beheerscht.

In België werd na 1795 het Fransche recht toegepast, krachtens hetwelk alleen de g. van 5 000 of meer inwoners hun eigen gemeentebestuur hadden. Deze beperking verdween onder het Consulaat, en de g. herkregen een afzonderlijk bestaan, met groote beperking van hun rechten t.o.v. den Staat. Het onderscheid tusschen de steden en het platteland, door de grondwet van 1815 ingevoerd, bij toepassing waarvan de koning een honderdtal g. den titel van stad verleende, is thans bijna van alle practisch belang ontbloot. De basis van het Belg. gemeenterecht is de wet van 30 Maart 1836, die van toepassing is op alle g., en welke meermaals gewijzigd werd. De wet onderscheidt twee categorieën van g. en de autonomie van beide is niet even volledig: de g. van minder dan 5 000 inwoners, die niet terzelfdertijd hoofdplaats zijn van een arrondissement, zijn onderworpen aan het toezicht van den arrondissements-commissaris, de andere niet. De herziene grondwet van 1921 laat aan de g. toe zich te groepeeren, tot gemeenschappelijke regeling van zaken van plaatselijk belang (Grondwet art. 108, 2°). Er zijn in België thans iets meer dan 2 320 gemeenten.

C) Het gemeentebestuur. De hoofdbeginselen van het in Ned. en België geldende gemeenterecht zijn:\
1° Het bestuur der g. berust bij de vertegenwoordiging der burgerij;
2° Dit bestuur regelt zelfstandig de specifiek gemeentelijke belangen (→ Autonomie), en als uitvloeisel van dit beginsel: de g. hebben eigen geldmiddelen en een eigen politie;
3° De gemeentebesturen verleenen aan de staatsorganen medewerking bij de uitvoering der staatswetten en alg. maatregelen van bestuur (→ Zelfbestuur);
4° De beraadslagingen der gemeenteraden zijn openbaar. Dank zij deze beginselen heeft het gemeentewezen in Ned. en in België een hooge vlucht kunnen nemen; in het bijz. de autonomie en het zelfbestuur hebben een groote mate van → decentralisatie van wetgeving en bestuur mogelijk gemaakt, waardoor de plaatselijke belangen in het alg. beter tot hun recht hebben kunnen komen dan bij een sterke centralisatie mogelijk zou zijn geweest.

De organen van het gemeentebestuur zijn de → gemeenteraad, het → college van burgemeester en wethouders (in België: het → college van burgemeester en schepenen) en de → burgemeester. De belangrijkste ambtenaren der g. zijn de secretaris en de ontvanger. Beiden worden benoemd door den raad. De secretaris is de gem. organen behulpzaam in alles, wat het hun opgedragen bestuur betreft. Naar Ned. recht kunnen in kleine g. de functies van burgemeester en secretaris door denzelfden persoon worden bekleed. De ontvanger is belast met de invordering van alle ontvangsten der g. en met het doen van alle betalingen uit de gemeentekas (in Ned. voor zoover door den raad niet anders is bepaald). Vgl. beneden in dit art.: Contrôle.

Op het gemeentebestuur wordt toezicht uitgeoefend door de Kroon, die het recht heeft besluiten van den raad en van burgemeester en wethouders (schepenen) te vernietigen wegens strijd met de wet of het alg. belang, en door de Gedeputeerde Staten (in België: de Bestendige Deputatie). In Ned. zijn bepaalde besluiten der gemeentebesturen aan een voorafgaande goedkeuring van Gedep. Staten onderworpen.

De g. hebben eigen geldmiddelen. Deze vloeien voort, behalve uit de opbrengst van hare bezittingen en bijdragen krachtens vsch. wetten, uit de vaste uitkeering uit het → gemeentefonds en de plaatselijke belastingen, daaronder begrepen → retributies voor diensten door de g. bewezen. De Ned. g. kunnen o.a. de navolgende belastingen heffen: opcenten op vsch. rijksbelastingen, hondenbelasting, belasting op vermakelijkheden, belasting op brandverzekering, hotel- of pensiongastenbelasting, reclamebelasting, → straatbelasting, bouwgeld, bouwterreinbelasting, zakelijke → bedrijfsbelasting, → woonforensenbelasting e.a. Deze opsomming geldt bijna geheel ook voor België. → Gemeentelijke belastingen.

De g. hebben een eigen politie, belast met de handhaving der openbare orde in deg., d.i. in het bijz. de handhaving van de plaatselijke verordeningen en de afwending van stoornis der openbare orde. Hoofd der gem. politie is de burgemeester, onder wiens bevelen de hoofdcommissaris, de commissaris en overige politieambtenaren staan. In Ned. worden hoofdcommissaris en commissaris benoemd door de koningin. In België worden de hoofdcommissarissen benoemd door den koning, de adjunct-commissarissen door den gemeenteraad. De gemeentepolitie is ook dienstbaar aan de rijkspolitie en staat in zoover onder het gezag der rijkspolitie-organen. In Ned. bestaat de bepaling, dat, in gemeenten met minder dan 6 000 zielen, op verzoek van den raad en tegen een bijdrage in de kosten, in den politiedienst door de rijkspolitie kan worden voorzien.

Vereeniging en splitsing van g. of wijziging harer grenzen kan alleen geschieden krachtens een speciale wet. In Ned. kan een dergelijk wetsvoorstel niet worden ingediend dan op voordracht of na advies van Gedep. Staten. Deze geven hun gevoelen niet te kennen, dan nadat zij het oordeel gevraagd hebben van de raden der betrokken g. en van een door de kiezers ad hoe gekozen commissie uit de ingezetenen. Splitsing van g. is slechts hoogst zelden toegepast, daarentegen zijn herhaaldelijk kleine g. opgeheven door vereeniging met andere, in totaal sedert de invoering der gemeentewet ong. 140. In België zijn de wetsbepalingen minder scherp: de bevoegde gemeenteraden beraadslagen, de Bestendige Deputatie doet een onderzoek, de Prov.

Raad brengt advies uit en de wet beslist. Niet alleen vereeniging, maar ook splitsing van g. komt niet zelden voor.

Lit.: Nederland. M. J. Oppenheim, Het Ned. Gemeenterecht (I en II 1928, en suppl., III 1932) ; A. Kranenburg, Het Ned. Staatsrecht (II 1934).

België. Répertoire pratique du droit Belge (II, 8.v. Commune, 135-331) ; K. Brants, Het Belg. Gemeenterecht (1935) ; P. Errera, Traité de Droit Public Beige (1920) ; Vauthier, Précis de Droit administratif ; Valerius, Organisation des Communes (3 dln. 1912) ; Wiliquet, Loi Communale (1926).

Struycken/V. Dievoet. Controle. In art. 116 der Gemeentewet wordt het toezicht op den gemeenteontvanger opgedragen aan burgemeester en wethouders, terwijl art. 181 bepaalt, dat die controle elke drie maanden moet plaats hebben. Art. 219 schrijft overlegging van de rekening aan den raad voor, die na onderzoek door den raad aan Gedeputeerde Staten moet worden opgezonden. Wat de gemeentebedrijven betreft, vindt men in de zoogenaamde bedrijfsverordeningen meestal bepaalde controlevoorschriften.

C. Janssen Europeesche gemeente in Ned.-Indië. Deze is ten gevolge van den drang tot decentralisatie tot stand gekomen en wordt geregeld door de Stadsgemeenteordonn. van 1926. Thans bestaat er een vrij groot aantal Eur. stadsgemeenten, voorzien van een gemeenteraad, die voorgezeten wordt door een burgemeester, bijgestaan door wethouders (1922). Onder den druk der bezuiniging is in den laatsten tijd door de regeering in een aantal kleinere gem. de post van burgemeester opgeheven en wordt het praesidium van den gemeenteraad weder zooals vroeger door een B.B. ambtenaar waargenomen. De wettelijke structuur der Eur. g. is vnl. volgens Ned. model, zulks in tegenstelling met die der inlandsche gem., die op adatrechtelijke basis zijn geconstitueerd. → Decentralisatie in Ned.Indië.

Lit.: Mr. S. Cohen, de Stadsgemeente-ordonnantie, in Kol. Tschr. (1926). B. Damen Inlandsche gemeente in Ned.-Indië. Onder vsch. namen bestaan deze in het oude adatrecht wortelende rechtsgemeenschappen van Inheemschen.

Ook deze kunnen evenals de Eur. gem. de eigen belangen zelfstandig behartigen onder eigen inheemsch bestuur. Tegenover deze inl. g. of inl. rechtsgemeenschappen staat in rechtstreeks bestuurd gebied het inlandsche Gouvemementsbestuur, waar het inl. dorpshoofd zuiver gouvernementsambtenaar is. De i. g. kunnen eigen inkomsten hebben en hebben de beschikking over de gronden, gelegen binnen de grenzen der rechtsgemeenschap, alles onder toezicht der regeering, die tegen onregelmatigheden waakt (art. 128 I.S., nieuw geregeld bij Stbl. 1931 nr. 507). De i. g. op Java en Madoera zijn geregeld bij Ordonn. 1906 Stbl. nr. 83 jto, Stbl. 1910 nr. 591, 1913 nr. 235, 1919 nr. 217, later eenigszins gewijzigd. Voor de Buitengewesten geldt behalve art. 128 I.S. de „Hoogere Inlandsche Verbanden Ordonnantie Buitengewesten” Stbl. 1931 nr. 507, waarnaast speciale regelingen zooals voor Sum. Westk. (Stbl. 1918 nr. 677), Amboina (Stbl. 1923 nr. 471, gew.

Stbl. 1931 nr. 607), Bangka (Stbl. 1919 nr. 453), Palembang (Stbl. 1919 nr. 814), Lampongsche districten (Stbl. 1922 nr. 664), Tapanoeli (Stbl. 1923 nr. 469 jto Stbl. 1925 nr. 317), Billiton (Stbl. 1924 nr. 75), Z. en O. afd. Bomeo (Stbl. 1924 nr. 275), Minahassa (Stbl. 1931 nr. 138), Benkoelen (Marga-ordonn. Stbl. 1931 nr. 6).

Lit.: B. J. Haga, Indones. en Ind. democratie (diss. 1924); L. Adam, De Autonomie v. h. Indones. dorp (diss. 1924); Carpentier Alting, Grondsl. der rechtsbedeeling in Ned. Indië (1926, 148, 287 vlg.). B.

Damen
II. Als Prot. begrip heeft g. meerdere beteekenissen

1° De in bepaalde plaats of stad samengekomen geloovigen. In de → Ned. Herv. Kerk met haar collegialistisch kerkrecht spreekt men van „Kerk”, als men alle plaatselijke gemeenten over het geheele land te zamen bedoelt, en van „gemeente”, als men plaatselijk spreekt. In de → Gereformeerde Kerken spreekt men in beide gevallen van „Kerk” of „Kerken”; als men daar het woord g. gebruikt, bedoelt men de schare der geloovigen in onderscheiding van den kerkeraad.
2° Ook spreekt men van g. als men de geloovigen te zamen bedoelt, van welke nuanceering ook; de gemeente des Heeren als zoodanig is dan meer een eschatologisch begrip, dat door de Apostolischen, de Maranatha-beweging van Joh. de Heer en andere interkerkelijke bewegingen met den naam „Bruid van Christus” aangeduid wordt.

Lammertse