Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Gepubliceerd op 02-02-2019

April

betekenis & definitie

April - (Lat. aprilis mensis- of Aprilis), sedert de invoering van den Juliaanschen kalender de vierde maand van het jaar, telt 30 dagen. Karel de Groote heeft getracht voor A. den naam Ostarmanoth (vgl. Ostermonat) in te voeren. In de M.E. zijn ook wel de namen mensis venustus (Lat., = liefelijke, bekoorlijke maand) en mensis novarum (nl. terrarum; Lat .,= maand der jonge akkers) in gebruik geweest.

Ten onzent wordt A., eenigszins ouderwets, ook Grasmaand genoemd. In A. vangen de werkzaamheden van land- en tuinbouw aan. zie Aprilgrappen. De onzekerheid van het weer in deze maand is vastgelegd in het volksgezegde: April doet wat hij wil. Boerenwijsheid leert: een droge Maart, een natte April. Het rijmpje: Op den eersten April verloor Alva zijn bril, zinspeelt op de inneming van den Briel door de Watergeuzen op 1 April 1572. v. Campen.