Jaar betekenis & definitie

Omloopsduur van de aarde om de zon, d. i. hetzelfde als de duur van den schijnbaren omloop van de zon langs de ecliptica. Dien duur moet men dus bepalen door den terugkeer van de zon tot een (vast of beweeglijk) punt op de ecliptica.

Voor dat punt kan men kiezen: a) een punt, dat zooveel mogelijk vaststaat t. o. v. de sterren. Het hierdoor bepaalde j. heet siderisch jaar en duurt 365 dagen, 6 uur, 9 minuten, 9,5 seconden. Dit jaar heeft alleen wetenschappelijk belang.
b) Het lentepunt, d. i. een der snijpunten van ecliptica en aequator. Ten gevolge van de ➝ praecessie beweegt dit punt met een snelheid van 50" per jaar langs de ecliptica de zon tegemoet en het hierdoor bepaalde tropische jaar is dus iets korter dan het siderische: 365 d. 5 u. 48 m. 46,0 s. Het heet tropisch j., omdat de helft ervan gelijk is aan den duur tusschen twee solstitiën of zonnewenden (tropisch ( Gr. tropein = wenden). Dit is het j. voor het burgerlijk leven, omdat hierdoor de → jaargetijden bepaald worden.
c) Het perigaeum, het punt in de ecliptica, waar de zon het dichtst bij de aarde staat (perihelium der aardbaan). Dit punt loopt zeer langzaam vóór de zon uit en dit anomalistisch jaar is 4 min. 43,5 sec. langer dan het siderisch jaar.
d) Het draconitisch jaar wordt bepaald door een knoop (snijpunt) van de schijnbare maansbaan en de ecliptica. Deze knoop beweegt zich vrij snel de zon tegemoet, zoodat het draconitisch j. maar 346 d. 14 u. 53 m. duurt. Omdat zon- en maan-eclipsen alleen kunnen voorkomen als zon en maan beide bij een der knoopen staan, is dit draconitisch j. voor het vooruitberekenen der eclipsen van belang; het is al in zeer oude tijden bekend geweest (→ Saros).

Bij de Oude Egyptenaren was een Siriusjaar in gebruik, dat verliep tusschen 2 heliakische opkomsten van Sirius en volgens moderne onderzoekingen juist 365 d. en 6 uur lang was. Egypte (kol. 819: Astronomie). [I]P.[/I] Bruna. Lit. : Strömgren, Lehrb. der Astronomie (Berlijn 1933); Zinner, Gesch. der Stemkunde (Berlijn 1931).

Symbolische voorstelling van het jaar door een cirkel rond een figuur, die zon en maan vasthoudt; vaak gechristianiseerd door de toevoeging van de Gr. letters [I]A[/I] (alpha) en Si (omega). Als voorbeeld kan hier de mozaïekvloer in den dom van Aosta gelden (zie afb. in kol. 385).

Jaarindeeling Het j. werd of wordt verdeeld in 12, 4, 3 of 2 deelen. De meest bekende is de jaarindeeling in 12 maanden (→ Maand). Eveneens wordt het j. in 12 deelen verdeeld volgens het intreden van de zon in de 12 hemelteekens van den dierenriem. Enkele middeleeuwsche kroniekschrijvers dateeren hiernaar.

De indeeling in vier deelen is die naar de jaargetijden, begrensd door de twee nachteveningen en de twee zonnekeerpunten. Niet hiermede samenvallend is de verdeeling van het jaar door de vier Quatertempers. Oorspr. zuiver kerkelijk, werd deze indeeling later ook voor het burgerlijk leven van beteekenis, daar veelal renten en pachten op die dagen werden voldaan. De Germanen kenden oorspr. slechts drie jaargetijden: winter, lente, zomer (Tacitus, Germ.26); het begrip herfst schijnt eerst bij de invoering van den wijnbouw opgekomen te zijn. Een andere indeeling in drie gedeelten komt voor bij het oude Duitsche landgerecht („ongeboden ding”). De zittingen werden meestal gehouden op Midwinter (25 Dec.), Paschen en Midzomer (24 Juni) of op 6 Januari, Paschen en Pinksteren.

De tweedeelige indeeling nam als grenzen aan Midwinter (Jul) en Midzomer; o.a. werd het Oud-Noorsche jaar in tweeën verdeeld. In den Christelijkcn tijd werden de beide termijnen op Kerstmis en St. Jan den Dooper (24 Juli) vastgesteld. In het burgerlijk leven heette de winter te beginnen op St. Michael (29 Sept.) of op St. Martinus (11 Nov.), de zomer op Paschen of St. Gregorius (23 of 24 April) of 1 Mei. Practisch gebruikten in de M.E. boer en burger als begin der jaargetijden bepaalde dagen, waarop een kentering in de weersomstandigheden placht in te treden. Naargelang ligging en klimaat kwamen daarvoor verschillende dagen in aanmerking. v. Campen. Jaarbegin.

In de M.E. begon men het jaar, naar gelang tijd en plaats, op verschillende data. De onderscheidene wijzen, waarop men het jaar liet aanvangen, noemt men jaarstijlen of stijlen. Men onderscheidt:

a) den Nieuwjaarsstijl of → Jaardagsstijl (1 Jan.),
b) het jaarbegin op 1 Maart,
c) den → Boodschaps- of Annuntiatiestijl (25 Maart),
d) den → Paaschstijl,
e) het jaarbegin op 1 Sept.,
f) den → Kerststijl (25 Dec.).

Het jaarbegin op 1 Maart volgden de Franken, wier jaarlijksche groote rijksvergadering, het Maartveld, op 1 Maart gehouden werd (tot ca. 755), door de Alamannen en Longobarden, door Venetië (tot 1797!) en voor zoover het het kerkelijk jaar betrof, ook door de Russen, tot in de 14e eeuw.

Het jaarbegin op 1 Sept. komt voor in het O.-Rom. Rijk en in de Grieksche Kerk en is daar algemeen sedert het einde der 7e eeuw. Vandaar noemt men het ook: Byzantijnsch jaarbegin. Nadat het Byz. Rijk zijn macht uitgebreid had over BenedenItalië en Sicilië, volgden ook deze gebieden den laatstgenoemden stijl.

Voor het jaarbegin op 1 Januari, zie → Jaardagsstijl. v. Campen Kerkelijk jaar.

In algemeenen zin: het jaar, gelijk de Kerk het gebruikt, aanvangend, sinds eind der M.E., in het Westen, met het Kerstfeest, d.w.z. met de voorbereiding ervan: de Advent; tevoren, en heden nog in het Oosten, op andere tijdstippen; en verdeeld op grondslag van kerkel. feesten. In striktere n zin: de liturgische viering van het eerste: eigenlijk het liturgische jaar, samenvattend alle mysteriën van het Verlossingswerk. Het ontwikkelde zich geleidelijk uit: de Zondags (=Verrijzenis-) viering, de Paaschviering: jaarfeest van het Lijden, den Kruisdood en de Verrijzenis, ook de Hemelvaart des Heeren en de Nederdaling van den H. Geest: Pinksteren; waarbij zich ook een voorbereiding voegde: de Vasten, Septuagesima (alles te zamen: Paaschkring); de viering van het Geboortegeheim: Kerstmis, Epiphanie, eveneens met voorbereiding: Advent (te zamen: Kerstkring). Sinds 4e-6e eeuw verschenen de ➝ Heiligenfeesten, die, als viering van de zege van het Verlossingswerk, hun toppunt bereikten in het Allerheiligenfeest (waarbij zich later Allerzielendag voegde; → Pantheon; Vagevuur). Om de voornaamste dezer feesten (bijv. S.S. Petrus en Paulus, S. Laurentius) was het, dat de Zondagen tusschen Paaschen Kerstkring zich in de M.E. groepeerden, hun aansluiting bij het feest van Pinksteren en Epiphanie is van later. De viering van het liturg. jaar bestond steeds in het plechtig opdragen van het H. Misoffer. Oudtijds geschiedde dit echter niet op alle dagen. De uitzonderingsdagen (heden bij hun Griekschen naam a-liturgische dagen, d.i. dagen zonder Mis genoemd) waren plaatselijk zeer verschillend. Heden zijn het in het Oosten veelal nog alle weekdagen der Vasten, behalve de Zaterdagen, voorts nog enkele andere; inden Ambrosiaanschen ritus de Vrijdagen in de Vasten; in den Romeinschen ritus is het slechts de Goede Vrijdag. → Feesten (kerkel.); Quatertemper.

Lit.: Guéranger, L’Année liturg. (15 dln. Tours) ; Nilles, Kalendarium. (Innsbruck); Kellner, Heortologie (Freiburg; Fransche vertaling: Bund, L’Année ecclésiastique, Parijs); Gatterer, Annus liturg. (Innsbruck); Parsch, Das Jahr des Heiles (3 dln. Klosterneuburg; een Nederlandsche bewerking verschijnt). Louwerse