St-Emilion betekenis & definitie

Het doet altijd weer verbazen hoe enorm verschillend de wijndistricten van Bordeaux zijn: de relatief platte, langgerekte Médoc langs de brede Gironde, het golvende landschap met akkers, bos en buitenwijken van de Graves ten zuiden van de stad Bordeaux, en het veel landelijker aandoende Sauternes. En op de rechteroever - niet van de Gironde of de Garonne, maar van de brede, bedrieglijk rustige Dordogne — het welhaast onbeduidende plateau van Pomerol, dat via de wijngaarden van St-Emilion geleidelijk omhoogloopt naar het charmantste, meest karakteristieke en aantrekkelijke stadje van het hele departement, St-Emilion zelf.

St-Emilion: De stad
Ongelooflijk, wat een contrast tussen de grimmig grijze schoonheid van de massieve gebouwen in de stad Bordeaux en de warme kleuren van de rommelig op elkaar gepakte stenen huizen met hun oranje pannendaken in de steegjes en straten van St-Emilion. Dit kleine stadje, dat net onder de heuveltop tegen de rotswand ligt, lijkt wat aanzicht en sfeer betreft meer een plaatsje uit de Provence dan uit Guyenne.

Natuurlijk lopen er hordes toeristen rond, maar laat dat u niet weerhouden. De middeleeuwse stadswallen, de imposante toren — vanwaar de leden van de Jurade de St-Emilion de ban de vendanges, het officiële begin van de oogst afkondigen — en de in de kalksteen uitgehouwen grotkerk zijn al een bezoek waard. Er is één goed hotel en een aantal restaurantjes te vinden, alsmede veel winkeltjes die hun wijnen, hun versierde kurkentrekkers en ander kelder- en tafelgerei aanprijzen.

De wijngaarden, de châteaux en hun eigenaren
Net als in Pomerol lijkt het alsof elk lapje grond in dit vrij omvangrijke district aan wijn is gewijd. Neem een château, kijk over de muur en je ziet de wijngaarden van de buren.

Van de meeste châteaux zelf gaat iets vertrouwds uit. Net als in Pomerol zijn ze bescheiden van afmeting, al zijn er enkele architectonische juweeltjes onder te vinden, en ze doen bewoond aan. Er is in elk geval altijd iemand die er verblijft, of dat nu de eigenaar, bedrijfsleider of het personeel is. De impressie is er een van een grote boerengemeenschap die volledig is gewijd aan de teelt van druiven en het maken van wijn. Wat een verschil met de grote, statige, maar dikwijls onpersoonlijke châteaux van de Médoc met hun lange geschiedenis van eigenaren op afstand, waaronder zich de laatste jaren zelfs verzekeringsmaatschappijen bevinden.

In St'Emilion staan letterlijk honderden wijnchâteaux: grands crus classés, een keur aan bekende en gerespecteerde domeinen en etablissementen van bescheidener faam. Ze hebben allemaal een aangenaam huiselijke sfeer, en bezoekers worden er over het algemeen warm onthaald.

Een bijzonder aspect van St-Emilion, uniek in de Gironde, is het gebruik van oude steengroeven, waarvan er enkele dateren uit de tijd van de Romeinen. In plaats van de steen uit de grond te hakken en grote gaten in het landschap achter te laten, heeft men de steen onder de grond gewonnen. De kelders, waarvan de verbazend dunne plafonds worden gestut door in de steen uitgehouwen zuilen, zijn thans in gebruik als wijnkelders: koel en nogal vochtig. Ze liggen allemaal in het hoger gelegen deel van de stad en zijn zeker een bezoekje waard.
Van mijn eigen eerste bezoek herinner ik me nog goed de dichte nevel van condens in de kelders van Clos-Fourtet. In de kelders van Château Beau-Séjour Bécot zag je de beenderen van een oude begraafplaats door het plafond van de grot steken, en in de kelders van Château Pavie kon je de wortels van de druivenstokken door spleten in het plafond zien.

St-Emilion: Het district
Vanuit Bordeaux is St-Emilion op twee manieren te bereiken. Beide routes lopen via Libourne. De eerste gebruikt de D670, een lage weg die evenwijdig aan de Dordogne loopt, een redelijk snel, recht en gevaarlijk traject dat naar het oosten richting Castillon voert. Sla bij het gehucht Bigaroux linksaf om naar de stad St-Emilion te rijden.

De andere route, interessanter en minder gevaarlijk, doorkruist Pomerol alvorens door het hart van het district St-Emilion rechtstreeks naar de westelijke stadsgrenzen van St-Emilion te lopen. Op de kaart loopt deze weg, de D243, als een soort 7,5 kilometer lange ruggengraat door St-Emilion: vanaf de westgrens van het district, heuvelopwaarts over het plateau, langs het stadje zelf, dat in de heuvels van het zuidwestelijke deel van het district ligt. Als u halverwege de rit even stopt, kunt u zowel de noordoost- als de zuidwestgrens zien, die slechts 4,5 kilometer uit elkaar liggen. In het westen, achter u, grenst St-Emilion aan Pomerol; twee van de mooiste châteaux, Cheval Blanc en Figeac, liggen nog maar net binnen de grenzen van St-Emilion. Hun wijngaarden zijn nauwelijks te onderscheiden van die van Pomerol.

Het plateau van Graves de St-Emilion loopt naar het oosten en noordoosten geleidelijk omhoog en, zoals de hoogtelijnen op de kaart tonen, is het oostelijke deel van het district behoorlijk heuvelachtig. Het draagt de toepasselijke naam Côtes. De naam ‘Graves’ verwijst natuurlijk naar de kiezelhoudende bodem van het kalkstenen plateau en de aangrenzende heuvels; de Côtes bestaan uit een kalksteenplateau en de hellingen die ernaar toe lopen.

De wijnen
Opmerkelijk is dat er alleen rode wijn wordt gemaakt. Wanneer kwaliteit buiten beschouwing wordt gelaten, zijn er ruwweg twee soorten wijn te onderscheiden, afhankelijk van het deel van het district waarvan de druiven afkomstig zijn. In het westen worden op de zanderige kiezelbodem van het plateau dat aan Pomerol grenst elegante, stijlvolle wijnen gemaakt.

De beste komt van Château Cheval Blanc; het is een der meest consistente en smaakrijke wijnen van alle grands crus van Bordeaux. Bij de buren, op Château Figeac, wordt ook wijn van hoge kwaliteit gemaakt: heel eigen van karakter, maar vaak met een ongeëvenaarde smaak en geur die samen- hangen met het gebruik van de cabernet sauvignon.

Van de concentratie van wijngaarden op de Côtes komen soepelere, fruitige wijnen. Ze zijn misschien wat minder gepolijst, meestal milder en hebben vaak een vrij hoog alcoholpercentage. Ze worden soms ook wel de Bourgognes van Bordeaux genoemd. Terecht, want het is een erg inschikkelijke en relatief snel rijpende wijn. Het beste château van dit gebied is Château Ausone, dat weliswaar de hoogste classificatie met Cheval Blanc deelt, maar een totaal andere wijn maakt, met een zeer eigen karakter.

Classificatie
In tegenstelling tot de wijn van Pomerol is die van St-Emilion geclassificeerd, maar vergeleken met de precieze classificatie die in 1855 van de Médocs is gemaakt, is men hier wat globaler te werk gegaan.

Anders dan het systeem van de Médoc staat het systeem van St-Emilion open voor vernieuwingen. De meest recente classificatie is in 1996 verricht: boven aan de kwaliteitsladder staan de dertien premiers grands crus classés, waarvan er twee, Ausone en Cheval Blanc, ter onderscheiding het achtervoegsel ‘A’ hebben. Een sport lager op de ladder staan 54 grands crus classés, met direct daaronder de honderden grands crus.

Bodem en wijnstokken
In St-Emilion overheersen de merlot en cabernet franc, die hier evenals in Pomerol beter bekend is als bouchet. De merlot, die in dit district 60 procent van de wijnstokken voor zijn rekening neemt, is vroeg rijp en geeft de wijn een aantrekkelijk vlezige fruitigheid. Er wordt een klein deel cabernet-sauvignonstokken verbouwd, zoals bij Château Figeac, maar in het algemeen rijpt die druif niet zo goed in andere districten.

Wat St-Emilion zo interessant maakt - en de wijn zo anders van karakter en stijl - is de verscheidenheid aan bodemsoorten, variërend van kiezel en zand op het glooiende plateau, tot de rijkere maar stenige heuvels in het zuidoosten.

Periferie of satellietdistricten
Er zijn vier vrij belangrijke districten die alle vier ten noorden en noordoosten aan St-Emilion grenzen: St-George-St-Emilion, Montagne-St-Emilion, Lussac-St-Emilion en Puisseguin-St-Emilion. Deze gebieden liggen allemaal op geleidelijk stijgend terrein. De (alweer rode) wijnen die hier worden gemaakt zijn soepel, redelijk fruitig met een goede prijs/kwaliteit-verhouding, maar missen toch de finesse van de grands crus en de geurige charme van de wijn van St-Emilion zelf. Côtes de Castillon, een gebied met nog meer wijngaarden dan St-Emilion, ligt in het oosten, slechts 10 kilometer van de stad St-Emilion. Al deze districten worden in afzonderlijke hoofdstukken behandeld.

Geschiedenis van St-Emilion en zijn wijnen
De korte beschrijving van de stad St-Emilion licht al een flinke tip van de sluier op wat betreft de middeleeuwse geschiedenis. De wijngaarden zijn in feite nog veel ouder. Reeds in de Romeinse tijd werd hier wijnbouw bedreven en wijn gemaakt, door niemand minder dan de Romeinse dichter Ausonius, naar wie Château Ausone is vernoemd.

Vanaf de 11e eeuw tot ver na de Middeleeuwen waren het de wijnen van verder stroomopwaarts langs de Dordogne, en niet uit het gebied rond Bordeaux zelf, die het populairst waren en het meest verkocht werden. Langs de oevers van de rivier zie je nog overal kleine haventjes liggen, nu vaak vervallen tot modderbanken met pieren. Maar de haven van St-Emilion, die beschut aan de voet van de stad ligt, heeft een belangrijke rol gespeeld totdat Libourne de stad van zijn voorname plaats verdrong en later op zijn beurt weer werd overschaduwd door een andere haven, deze keer aan de Garonne, die van de stad Bordeaux zelf.

St-Emilion was een van de vele belangrijke steden in het zuidwesten van Frankrijk die op de pelgrimsroute naar Santiago de Compostela lagen, en men heeft er gastvrijheid nog steeds hoog in het vaandel.

De opkomst van de grote premiers crus, laat in de 18e eeuw, en hun voorname volgelingen was bijna uitsluitend een ontwikkeling op de linkeroever; de wijnen van bescheidener komaf uit St-Emilion boekten in de 19e eeuw weinig vooruitgang. Tot enige tijd geleden was er maar een handjevol châteaux die hun wijn op de internationale markt brachten; ook toen al waren Ausone en Cheval Blanc de aanvoerders.

Over Cheval Blanc wordt vaak gezegd dat dit château zijn goede reputatie dankt aan de inderdaad mooie 1947, maar dat is niet zo. Cheval Blanc heeft in deze eeuw altijd wijn van uiterst constante kwaliteit geproduceerd en kent verscheidene topjaren: 1921, waarin het château het beste was van dat warme jaar, 1926, meer een fraaie Bourgogne dan een goede Bordeaux, en het magistrale 1929.

En zoals ik al heb opgemerkt, niet ver onder deze duizelingwekkende hoogten treft men een schatkamer van aantrekkelijke en redelijk geprijsde rode wijnen aan. Waar wachten we op?

Wijnjaren
Omdat St-Emilion in het westen aan Pomerol grenst, verbaast het niet dat de oogsten eenzelfde patroon volgen. Anders dan de wijnen van Pomerol, die tot 1945 bij handel en consument nagenoeg onbekend waren, leverde St-Emilion een constante stroom van plezierige en betaalbare wijnen, behalve dan Ausone, dat de oudste reputatie had, en Cheval Blanc met de meest consistente reputatie. Hetzelfde gaat vandaag de dag ook nog grotendeels op.

Château Ausone heeft een indrukwekkende kelder met oude wijn waarvan ik me een complete, maar verbleekte en vervlakte 1847 kan herinneren. Een uitgebreide proeverij in New Orleans van 76 jaargangen werd geopend met een perfecte 1877: delicaat, ideaal van gewicht, textuur en evenwicht; de 1879 was vol en zacht; in de 1894 was een mager jaar te proeven; wat matige flessen uit goede jaren als 1900. Hij kwam het best tot zijn recht in goede, voor andere wijnen vermoeide jaren als 1911, 1916 en vooral 1918, maar ook voorspelbaar goed in de topjaren van het welhaast onverslaanbare decennium van de jaren ’20, vooral 1921 (bijzonder goed in dit moeilijke, veel te warme jaar), 1924, 1926 en 1928.

De enkele redelijke jaargangen uit de jaren ’30 waren niet zo goed als Cheval Blanc, maar er waren enkele verrassende flessen uit de oorlogstijd: 1942, 1943. Een teleurstellende 1945, een goede 1947, een wisselvallige 1949, en Ausone is naar mijn mening tot zeer recente oogsten wisselvallig gebleven.

Cheval Blanc is, zoals ik al heb opgemerkt, betrouwbaarder geweest. Het oudste jaar dat ik heb geproefd is de 1893, zo’n mooie wijn dat mijn tafelgenoot, Jacques Hébrard, de tranen in de ogen sprongen. De 1908 die ik op het château heb geproefd, was ook voortreffelijk, de 1911 uit de privékelders van Rothschild slank en lang, de 1920 was op zijn best en prachtig, de 1921 magnifiek en de beste van dat jaar, de 1926 ongelooflijk rijk, de 1929 was een van de grootste.

Zelfs in de jaren ’30 was de wijn goed. Dan volgt het naoorlogse trio: 1945, de onvergelijkelijke 1947 (ik schaam me bijna te zeggen dat ik deze sinds midden jaren ’50 zo’n dertig keer heb geproefd en gedronken) - en de 1949, die de ware kwaliteit van elk navolgend wijnjaar weerspiegelde. De 1966 is buitengewoon elegant, 1970 is nu perfect, 1982 geweldig, 1985 heerlijk. En zo kan ik doorgaan.

Figeac is onvoorspelbaarder, maar vaak ook opwindender. De oudste die ik proefde, was de heerlijke maar verbleekte 1900, een curieuze 1905, een wrange 1906, een zachte 1911. Goed (maar niet zo goed als Cheval Blanc) in de jaren ’20, zwak inde jaren ’30, in 1947 en 1949 geweldig, in 1953 en 1955 voortreffelijk.

In de wijnen uit de jaren ’60 was zijn hoge percentage cabernet sauvignon te proeven, vooral in de fantastische 1961, de uitnemende 1962 en 1964, prachtige 1966, opwindende 1970, exotische 1976, wisselvallige 1975, overtuigende 1976, en veel goede wijn in het geweldige decennium van de jaren ‘80, vooral de 1989 en 1990.

Een van de châteaux met de meest consistent hoge kwaliteit is Château Canon. Ik herinner me een 1892 op een zondagse lunch met Mme Teysonneau in Bordeaux, na een bezoek aan haar kelder. De wijn was fragiel als een oude dame, maar had ook die twinkeling in de ogen. Dan volgen een ongewoon goede 1937 en de voorspelbare naoorlogse jaren, tot heden. Zijn tegenhanger op de Côtes, Pavie, was tot midden jaren ’60 veel minder voornaam. Maar laat in de jaren ’70 maakte de wijn een vlucht met een heerlijke 1978, goede 1981, indrukwekkende 1982, prachtige 1985, en sindsdien is hij - afhankelijk van de oogsten - buitengewoon goed geweest.

Opsomming van de beste St-Emilion-jaren vanaf 1920: 1921, 1926, 1928, 1929, 1934, 1937, 1945, 1947, 1949, 1952, 1953, 1955, 1959, 1961, 1964, 1970, 1971, 1976, 1981, 1985, 1986, 1988, 1990 en in 1993 beter dan de Médocs.

Mijn persoonlijke voorkeur
Ongetwijfeld Cheval Blanc om zijn absolute consistentie, schoonheid en élégance. Mijn favoriete jaren zijn natuurlijk 1921, 1926, 1929, voorts 1947, 1949, 1966, 1970 en 1971, 1982, 1985, 1988, 1990.

Dan Canon om zijn consistentie; voor onvoorspelbare spanning en karakter Figeac en de recentere jaren van Pavie. Dan in alfabetische volgorde: Beau-Séjour Bécot, Canon la Gaffelière, La Dominique, La Gaffelière, Larmande, Magdelaine en Trotte Vieille.

De satellieten van St-Emilion
Ten noordoosten van St-Emilion zelf, aan de overkant van de Barbanne, liggen vier appellations die St- Emilion aan hun naam mogen toevoegen — Montagne, Lussac, Puisseguin en St-Georges. Deze buiten- districten zijn een niet te verwaarlozen factor in de wijnwereld: ze produceren grote hoeveelheden wijn waarvan de beste van betere bezittingen een goede koop kunnen zijn en niet onder hoeven te doen voor die van het meer prestigieuze buurgebied. In het westen liggen de Cötes de Francs en de Cötes de Castillon (zie pagina 362 e.v.). Zie de kaarten 37 voor de algemene ligging en 41, 42 en 43 voor details.

De appellations dateren van 1936. Er heeft ook een vijfde bestaan, Parsac, maar de wijn uit deze voormalige gemeente wordt nu onder de appellation Montagne-St-Emilion geproduceerd. Montagne, dat aan de Barbanne grenst, is het grootste district van de vier. Het wordt op de voet gevolgd door Lussac, dat in het noorden aan Montagne grenst. Puisseguin, dat ten oosten van deze twee ligt, produceert ongeveer half zo veel. St-Georges zie je maar zelden, omdat de meeste producenten met wijngaarden binnen deze appellation ook het recht hebben op de bekendere appellation Montagne.

In tegenstelling tot St-Emilion met zijn duidelijke onderscheid tussen plateau en hellingen, is dit een golvende regio van valleien en lage heuvels. De bodemgesteldheid loopt nogal uiteen en lijkt wel wat op die in het naburige St-Emilion en Pomerol, met een overheersende aanwezigheid van klei en kalksteen. Veel bezittingen zijn hier erg klein - met een productie die ruim onder de 10.000 kisten per jaar blijft - en plaatselijke coöperaties spelen een belangrijke rol. Lussac en Puisseguin maken gebruik van dezelfde coöperatie; deze is gevestigd in het dorp Puisseguin. Ze is verantwoordelijk voor bijna een derde van de productie van Lussac en voor ruim de helft van die van Puisseguin.

De stijl van de topwijnen lijkt treffend op die van St-Emilion zelf en kan zonder bezwaar worden beschouwd als het equivalent van een grand cru. De merlot is de meest gebruikte druif, gevolgd door de cabernet franc. De wijnen zijn zelden stug, hebben een soepele smaak en een open en onmiddellijk aansprekend bouquet. Enkele van de mindere wijnen zijn echter aan de lichte kant, hebben geen echt gewicht of smaak en kunnen in de mindere jaren waterig aandoen.