Pomerol betekenis & definitie

De wijnen van Pomerol, die allemaal rood zijn, zijn de laatste jaren erg gewild. Dat is ook begrijpelijk. Ze zijn in het algemeen diep van kleur, vol fruit, vlezig en meer uitgesproken en minder subtiel dan hun equivalenten in de Médoc. Kortom, ze komen dichter bij de gouden-medailleklasse, de 100-puntenwijn van de fijnproevers, en zijn dan ook toegankelijker en liggen makkelijker op de tong bij onervaren wijndrinkers. Wat ook erg handig is, is dat ze sneller rijpen dan hun tegenhangers in de Médoc. Daarbij komt dat de gemiddelde kwaliteit van de Pomerol hoog is: betrouwbaar en uitermate drinkbaar.

De prijs van mode
De wijnproductie in dit betrekkelijk kleine en compacte district wordt beperkt door de bescheiden omvang van de gemiddelde wijngaard. De combinatie van de grote internationale vraag en een beperkte voorraad resulteert uiteraard in buitensporig hoge prijzen.

Chateau Pétrus is de onbetwiste aanvoerder van de Pomerols. Klein als het is - de oppervlakte van de wijngaard is slechts een zevende deel van die van Lafite in Pauillac - produceert het vaardig gemaakte wijn van absoluut hoge kwaliteit, de eerste wijn die een astronomisch prijspeil bereikte. Maar in 1995 heeft zelfs Pétrus zijn plaatsje boven aan de (prijs)lijst moeten prijsgeven aan Le Pin. Een blik op de omvang van beide wijngaarden levert daarvoor een gedeeltelijke verklaring op. Gedeeltelijk, omdat wijn die in een piepkleine wijngaard wordt gemaakt van middelmatige of lage kwaliteit is en (gelukkig) nooit een goudmijntje kan worden. Erg klein, maar erg goed, zoals Le Pin, is de succesformule.

Wat de verhouding tussen prijs en kwaliteit betreft is mijn idee dat men gewoon de markt zijn gang moet laten gaan. Als een oosters verzamelaar de hele markt van 1982 van Le Pin wil opkopen, of welk ander goed wijnjaar dan ook, laat hem zijn gang maar gaan. Als de opwinding wat is geluwd en hij besluit door te verkopen, is het niet ondenkbaar dat de zeepbel uiteen spat. Het lijkt misschien oneerlijk dat de zeldzaamste wijnen ter wereld alleen kunnen worden gedronken door de allerrijksten; maar wat moet je anders?

De wijn, zijn stijl en karakter
De meeste wijnen van Pomerol zijn van gedegen kwaliteit, een genot om te drinken en redelijk geprijsd.

Er zijn ruwweg twee stijlen te onderscheiden. De eerste is die van de diepgekleurde, ferme, vrij tanninerijke rode wijnen die qua gewicht en vorm dichter bij de Médocwijn staan dan bij die uit het naburige St-Emilion. De andere stijl is lichter van kleur, lichter in gewicht - over het geheel genomen toegankelijker, makkelijk en relatief snel op dronk; deze wijnen worden gemaakt van druiven die op de lichtere (zand)gronden groeien, maar zoals altijd speelt niet alleen het jaar, maar ook de doelstelling van de eigenaar een rol.

Pomerols zijn door de bank genomen zoeter; de volle smaak en het extract verhullen het hoge tanninegehalte, dat wijn uit de Médoc meer uitgesproken en droger zou maken, dat bovendien in jonge wijn nadrukkelijker naar voren zou komen en hem misschien iets bitter zou laten smaken. De beste wijn van Pomerol heeft een prachtige textuur, is mild en fluweelzacht.

Het feit dat Pomerol een lappendeken van kleine bezittingen is, draagt hier zeker toe bij. Omdat de wijngaarden betrekkelijk klein zijn, zijn ze makkelijker te beheren. De eigenaar kan meestal met groot gemak bepalen wat het beste moment is om te gaan plukken. Wanneer hij de rijpheid en de balans van de druiven heeft beoordeeld, kan hij de oogst snel binnenhalen.

Een voorbeeld: neem 1982, een hete zomer, gevolgd door een al even warme septembermaand. De druiven - vooral de vroeg rijpende merlot - waren buitengewoon rijp en hadden een zeer hoog suikergehalte. Christian Moueix, deeleigenaar en bedrijfsleider van Chateau Pétrus, vliegt graag in zijn vrije tijd en houdt het weer goed in de gaten. Hij hoorde op een dag halverwege september een weerbericht dat zei dat het weer in het weekend zou omslaan. Nadat hij zich er vrijdag van had vergewist dat de druiven rijp waren voor de pluk, stuurde hij 140 plukkers het veld in die de hele oogst in tien uur binnenhaalden. Eenzelfde aantal plukkers had aan de oogst van bijvoorbeeld Chateau Léoville-Las-Cases in de Médoc drieënhalve week werk gehad, niet alleen vanwege de omvang van de wijngaard, maar ook als gevolg van het feit dat de verschillende druivenrassen niet even snel rijpen. Er is altijd het risico dat halverwege de oogst het weer ineens omslaat, wat ook inderdaad vaak gebeurt.

Om kort te gaan: de eigenaar van een wijngaard in Pomerol heeft een aanzienlijk voordeel bij het oogsten - hoewel natuurlijk ook hij door een plotselinge weersverandering kan worden overvallen. Er is echter ook een keerzijde: het nadeel van een mooie kleine wijngaard is dat de hoeveelheid wijn die voor de verkoop beschikbaar is, altijd beperkt is, zodat de nadruk komt te liggen op kwaliteit om de hoge prijs te rechtvaardigen.

Landschap, bodem, druiven
Pomerol lijkt meer bijzondere eigenschappen te bezitten dan de andere districten. Om te beginnen is het een betrekkelijk klein, compact gebied, een soort licht hellende rechthoek die van noord tot zuid en van oost tot west ruim drie kilometer meet. Praktisch het hele oppervlak van dit vlakke, licht hellende plateau is met druivenstokken beplant: zo’n 800 hectare, een zesde deel van dat van St-Emilion. Er groeit overwegend merlot, net als in St-Emilion aangevuld met cabernet franc (die hier bouchet wordt genoemd) en op sommige châteaux een beetje cabernet sauvignon. Alle rassen groeien op kiezelhoudende bodems, met klei in het noordoosten en zand in het westen.

Er staan vrijwel geen echt mooie châteaux; je ziet er slechts wat charmante oude huizen met daarnaast hun eigen chais en wijngaarden. Pétrus zelf is wel heel erg bescheiden: het is een klein, keurig complex waarin de persen, fusten en de eerste- en tweedejaarsvaten staan. Er wordt dus weinig ruimte verspild.

Ondanks de goed bedoelde bewegwijzering is een bezoek aan dit gebied een verwarrende onderneming, Bovendien is het vaak moeilijk om te onderscheiden welke wijnstokken bij welk château horen. Wijngaarden lijken zich eindeloos uit te strekken en naadloos in elkaar over te gaan, enkel onderbroken door een sloot, een muurtje... en vaak helemaal niets. Als om de verwarring te vergroten, ontbreekt er een centrum; er zijn zelfs nauwelijks dorpen - slechts enkele gehuchtjes en groepen gebouwen die met elkaar zijn verbonden door kriskras door het district lopende landweggetjes. En toch... wat kunnen deze onaanzienlijke bezittingen een sublieme wijn voortbrengen.

Libourne en het district Pomerol
De wijngaarden van Pomerol mogen dan weinig interessant of opwindend zijn, alsof de tijd er heeft stilgestaan en de geschiedenis eraan is voorbijgegaan, hetzelfde kan niet worden gezegd van Libourne. Dit is een mooie, vrij grote oude stad met talloze smalle straatjes en in het centrum een fraai marktplein en een door bolwerken beschermde rivieroever.

In Libourne voel je nog de aanwezigheid van de Engelsen die het hele zuidwesten van Frankrijk 300 jaar lang bezet hielden. Toch is er geen enkele twijfel mogelijk: de elegante stenen gebouwen, de winkels, een onmiskenbaar Franse sfeer.

Als de rit vanuit Bordeaux - tegenwoordig gelukkig grotendeels via een vierbaansweg — achter de rug is, gaat de route naar Libourne verder over een tweebaansweg. Het is dan nog een kwartiertje rijden, als het verkeer enige snelheid toestaat. Libourne is namelijk de poort tot Pomerol. Het is er goed toeven en niet slecht eten. Maar als u van plan bent door te rijden naar de wijngaarden, kunt u het centrum beter omzeilen. Neem de weg die naar de stad voert, niet de nieuwe rondweg die om de stad heen naar het oosten loopt. Neem de brug over de Dordogne, sla op de binnenste rondweg onmiddellijk rechtsaf en zoek het treinstation en de borden richting Pomerol. Zodra u de buitenwijken van de stad hebt bereikt, ziet u de wijngaarden liggen. Rijd door naar de grens met St-Emilion, de reisbestemming van de meeste wijnliefhebbers die alle voorname wijnhuizen langs de route hebben aangedaan: Pétrus, Trotanoy, Vieux Chateau Certan, La Conseillante en wat dies meer zij.

Wat de châteaux zelf betreft, is het moeilijk te zeggen hoeveel er worden bewoond door de eigenaar van de wijngaard, of wie er de deur zal opendoen als je er aanklopt. Als je boft, kun je als werkelijk geïnteresseerd bezoeker de chai bezichtigen en misschien wel wat jonge wijn uit de vaten proeven. Zoals altijd verdient het aanbeveling eerst even op te bellen. In het geval van Pétrus en andere châteaux die eigendom zijn van de alomtegenwoordige familie Moueix, moet er van tevoren gebeld worden naar het zeer bescheiden kantoortje aan de rivierkade van Libourne.

Wijnjaren
Zoals reeds vermeld heeft Pomerol iets van een naoorlogs fenomeen, en tot op zekere hoogte is het dat ook. De drie ongelooflijk succesvolle naoorlogse jaren 1945,1947 en 1949 waren een springplank naar de sterren aan het wijnfirmament: Pétrus en later ook Le Pin. De wijnbouw in dit gebied is echter zo oud als de heuvels en er worden al heel lang voortreffelijke wijnen gemaakt — voornamelijk, lijkt het, voor de genoegens van connaisseurs in de Lage Landen, in het bijzonder de Belgen. Wijnen die zelden of nooit in de kelders van de Britse aristocratie of de welgestelde middenklasse te vinden waren. Vandaar dat de oude wijnen die ik heb gezien, afkomstig zijn uit kelders van het Europese vasteland. De oudste was een Pétrus uit 1893, een stevige, chocoladeachtige wijn. Ik heb ook een Pomerol uit 1900 geproefd, die werd gebotteld in Leith en ondanks bederf en scherpheid nog een geurig bouquet had; een lijvige 1908 en een diepe, ondoorzichtige 1917 - jaren die ongeacht de herkomst van de wijn niet optimaal meer zijn.

De jaren ’20 waren voor de Pomerols een even succesvolle tijd als voor de bekendere Médocs: de Pétrus van 1921 was perfect, het jaar 1924 had een goede naam, maar Nenin, en wel de oudste geproefde wijn van dit château, was onbestendig; 1926 goed, 1928 uitstekend, vooral Trotanoy; 1929 was beroemd, hoewel de Pétrus die ik heb geproefd door iemand anders werd beschreven als ‘een boer met de modder nog aan zijn laarzen’. L’Enclos was een echte Pomerol: vol en vlezig. Alle wijn uit 1934 was goed, die uit 1937 wisselvallig, nu straf. De oogsten uit de Tweede Wereldoorlog waren niet slecht, maar het was het grootse naoorlogse trio waar iedereen van opkeek. De eerste die ik proefde was de magnifieke Gazin uit 1945, maar een nu bijna onbetaalbare klassieker van dat jaar is Pétrus, trouwens ook die van 1947 en 1949 (Chateau Certan en La Conseillante waren ook indrukwekkend).

Van het volgende decennium is 1950 heel goed, vooral Le Gay; 1952 was net als in St-Emilion over het geheel genomen beter dan de linkeroever; 1953 prachtig, hoewel ik dan liever de beste Médocs drink; 1955 goed, vooral Vieux Chateau Certan, die ook een goede 1959 heeft gemaakt, een jaar waarin Pétrus fantastisch was; 1961 is een hemels jaar voor Pétrus, evenals L’Evangile, Le Gay en de schitterende La Tour a Pomerol en Trotanoy - maar Gazin teleurstellend; 1962 is net als elders een ondergewaardeerd jaar; 1964 is goed geweest maar nu vermoeid; 1966 veel gezonder. De late zestigers heb ik gelukkig zelden gezien; 1970 goed, 1971 voortreffelijk — in het bijzonder La Conseillante, Le Gay, La Fleur-Pétrus en Trotanoy, hoewel mijn lievelingschâteau van dat jaar La Grave Trigant de Boisset is.

Mijn indruk van de rode Bordeaux van midden tot laat in de jaren ’70 is er een van vervagende illusies, als het geen desillusies zijn - hoewel de Pomerols uit 1979 even indrukwekkend als die van 1981 waren, en nog steeds zijn. 1982 produceerde kassakrakers, 1983 had meer charme. (Mijn eerste ervaring met Le Pin was een halve fles die in 1984 naar Christie’s werd gebracht. Mijn notitie was: ‘Zeer exotisch’). Pomerol is het land van de merlot en helaas is die druif in 1984 bezweken onder het slechte weer, dus we gaan door naar het aangename 1985, het fijne 1986 en 1988 en het weelderige 1989. Om redenen die ik al heb genoemd, is het kleine, geconcentreerde Pomerol, dat een vrijwel probleemloos microklimaat kent, in het voordeel, vergeleken bij de grotere, multi-cépage-Médocs uit de meeste jaren, waarop de oogsten uit de eerste helft van de jaren ‘90 geen uitzondering zijn. Maar afgezien van de betrouwbare werkpaarden La Pointe en de Sales, zijn de bekendste namen naar verhouding te populair en te duur.

Mijn favoriete Pomerols
Beslist Pétrus; want ondanks zijn exorbitant hoge prijzen en succes in internationale veilingkringen verdient hij zijn reputatie. Tijdens een proeverij van alle eerste crus in Bordeaux uit alle grote naoorlogse wijnjaren kan ik me goed herinneren dat ik elk jaar van Pétrus een hoogstpersoonlijke beoordeling van 20/20 (de hoogste beoordeling) gaf — en zelfs een wat overdreven 21/20 voor het jaar 1947.

Het zou onjuist zijn om Pétrus zijn toppositie te ontzeggen, om maar niet te spreken over andere prachtige wijnen uit de ‘stallen’ van Moueix, vooral La Fleur-Pétrus en Trotanoy. Van de rest heb ik de stabiele (en terecht dure) La Conseillante en Vieux Chateau Certan buitengewoon kunnen waarderen. De laatste die ik sterren zou willen geven (afgezien van de overgewaardeerde Le Pin) is Chateau L’Eglise Clinet. Andere favorieten zijn in alfabetische volgorde: L’Evangile, La Fleur-Pétrus, La Fleur, Petit Village, Trotanoy; dan Le Gay, Gazin en Clos René, waarvan vooral het grote naoorlogse trio 1945, 1947 en 1949. Betrouwbaar zijn Plince, La Pointe en de Sales, de grootste wijngaard van Pomerol. En gelukkig kan ik zeggen dat Le Pin erg goed is.

Net als bij St-Emilion liggen de satellieten van Pomerol in het noorden. In Pomerol is de grens echter duidelijker: er loopt een rivier door een kleine maar vrij diepe vallei die het noorden van Pomerol scheidt van de twee dorpen die aan de overkant liggen: Néac en Lalande-de-Pomerol, die alle twee net als Pomerol zelf worden doorkruist door de kaarsrechte N89, de hoofdweg van Libourne naar Périgueux. En ten oosten van Néac gaan de wijngaarden ongemerkt over in die van het hoger gesitueerde St-Georges-St-Emilion.

Fronsac is anders - en naar mijn mening het vermelden waard. Ten westen van Libourne, nog altijd op de rechteroever van de Dordogne, ligt een groot aantal vrij kleine, erg landelijke bezittingen die excellente, redelijk geprijsde wijnen maken, wijnen die de diepte hebben van alle Pomerols, en ferm, vol en verrassend stijlvol zijn.