St-Estèphe betekenis & definitie

Onze volgende pleisterplaats is St- Estèphe, de meest noordelijke van de belangrijkste appellations in de Médoc. Het is ook verreweg de grootste, maar heeft de minste crus classes. De meest gebruikelijke entree tot de gemeente is bijna dramatisch. Als je vanaf Pauillac in noordelijke rich¬ting rijdt, daalt de weg, bijna in een respectvolle buiging, bij Lafite en klimt daarna weer steil omhoog, waarna je op de top van de helling een opvallend, in gemengd Arabische/oriëntaalse stijl uitgevoerd gebouw bereikt. Dit is de Cos d’Estournel, een van beide tweede crus van St-Estèphe.

Onmiddellijk ten noorden van deze wijntempel ligt een relatief hoog kiezelplateau, dat ideale omstandigheden biedt voor de cabernet sauvignon. Maar ondanks de nabijheid van Pauillac is de wijn van Cos anders van stijl, met soms iets van de verfijning - een woord dat meestal niet van toepassing is op de wijnen van St-Estèphe - van Lafite. Betrekkelijk dich¬tbij , in het noorden, ligt Montrose, een eenvoudig maar mooi château, dat uitkijkt over zijn naar de rivier omlaag glooiende wijngaard. Ik denk altijd aan Montrose als de ‘Latour’ van St- Estèphe: een diepe, ferme wijn, vol tannine en met een lang leven.

St-Estèphe zelf is een niet onaantrekkelijk dorpje, gesitueerd op een plateau; in het noorden ziet het uit over de Gironde. Het dorpscentrum wordt gedomineerd door de kerk met z’n hoge spitstoren - niet alleen een indicatie hoe belangrijk het dorp is, maar ook een baken voor passerende schepen. Het estuarium is immers altijd een belangrijke scheepvaartroute geweest. Of je nu op het plateau van Beychevelle of Ducru staat, uit het raam staart van de zitkamer van château Latour, of gewoon langs de rivier struint in Pauillac, je wordt voortdurend verrast door het aantal schepen - en hun afmetingen - die rustig naar de dokken van Bordeaux drijven, of op de terugweg naar zee langs de Pointe de Grave komen.

Wat vaak wordt vergeten, is dat de Gironde en zijn bovenloop eeuwenlang de beste en goedkoopste manier van vervoer voor wijn in vaten zijn geweest. Eerst van de lan¬derijen van de wijnmakers naar de kantoren en kelders van de handelaren, de négociants, die aan weerszijden van de Quai des Chartrons en de Quai de Balcan waren gevestigd. Daarna naar de importeurs in Londen, Bristol, Antwerpen en de rest van de wijndrinkende wereld. In de Médoc had elke gemeente, elk dorp - en soms een individueel château - zijn eigen haven. De vaten werden op karren naar de pieren aan de oever gereden en vandaar aan boord van kleine zeilschepen gerold om naar Bordeaux te worden vervoerd. Tot diep in de 19e eeuw was het leven en de handel van de Médoc afhankelijk van de rivier; daarvan getuigt het feit dat de châteaux allemaal met de voorkant naar de rivier zijn gericht. Op die manier konden ze worden herkend (en natuurlijk bewonderd) vanaf de Gironde, de doorgaande route voor zowel mensen als wijn. In de kleine, nu veelal dichtgeslibde havens gingen eigenaren, bezoekers en courtiers (makelaars) van boord om châteaux en wijnkelders te bezoeken. Met de komst van de spoorlijn kwamen de scheepslieden zonder werk te zitten. Stalen rails, over de gehele lengte van de Médoc, werden de ruggengraat van de handel. Ze bereikten in 1870 Pauillac en in 1902 de noordelijke punt van de Pointe de Graves.

Verder van de rivier af waren dorpen en châteaux met elkaar verbonden door een web van smalle weggetjes, soms niet meer dan karrensporen. Als ik rond St-Estèphe rijd en châteaux probeer te ontdekken, komt er een dichtregel van G.K. Chesteron in me op: ‘toen een slingerende Engelse dronkaard de slingerende Engelse wegen bouwde’. Zijn Franse collega is in dit deel van de Médoc duidelijk even beneveld te werk gegaan.

De châteaux, de wijngaarden, de wijnjaren
De twee beste wijnen van St-Estèphe zijn, zoals reeds vermeld, die van Cos (spreek uit Kos, niet Ko) en Montrose. Het laatste château wordt bewoond en gerund door de familie Charmoluë en is altijd een van mijn favorieten geweest. In de loop van de tijd ben ik de consistente stijl ervan gaan waarderen. Deze wijn is misschien wat hoekig, stug als hij jong is en gebaat bij een lange flesrust, maar net als Latour (hoewel niet op dezelfde monumentale manier) ontwikkelt hij een zachtheid en sereniteit die bij het eerste proeven uit het vat moeilijk zijn voor te stellen.

Montrose uit 1947 en 1949 is, mits de wijnen goed worden bewaard, nog steeds schitterend, een genot; 1959 en 1961 groots, beide wijnen worden er beter op naarmate ze langer liggen. Helaas is het geheim verklapt: het jaar 1990 heeft alle lof gekregen en de hoogst denkbare score van de meest invloedrijke wijncriticus van Amerika. Daardoor zijn de prijzen de pan uit gerezen; de wijn is nu veel te duur voor zijn klasse en voor de portemonnee van menige nuchtere, trouwe Bordeaux-fan. Deze tot nu toe flegmatieke en betrouwbare wijn geniet nu een sterrenstatus. Jammer. We zullen zien.

Cos d’Estournel, eigendom van de zeer gerespec¬teerde familie Prats, die het ook (vaak eigenhandig) runt, maakte vroeger een wat inschikkelijker wijn dan Montrose. Hun geëxperimenteer - met vaten, met het proces van wijn maken, waarschij nlijk ook met druivensoorten - doet me een beetje denken aan de eindeloze zoektocht van Robert Mondavi in Californië. Gelukkig heeft Bruno Prats niet voor niets zo’n goede reputatie, zijn Cos is zijn tweede-cnt-status meer dan waard, maar niettemin is er naar mijn mening niet genoeg reden tot promotie. Op het moment wordt hij beschouwd als een ‘super-tweede’ (eengruwelijke term!).

Calon-Ségur, een derde cru, is een veel oudere bezitting, die oorspronkelijk dateert uit de 12e eeuw. Het heeft een indrukwekkend château dat behaaglijk in een flauwe kom in het midden van de gemeente ligt. Het heeft ooit zijn populariteit onder de Britse Bordeaux-liefhebbers gedeeld met Pontet-Canet, Lynch-Bages en Talbot. Het is zeker een van de grootste middenklasse Bordeaux geweest in het assortiment van de traditionele Engelse wijnhandelaar.

Het château dankt zijn populariteit deels aan zijn stijl en deels aan de mensen die het beheerden en het exclusieve verkooprecht hadden. Calon-Ségur is het eigendom van twee oude Bordeaux-families, de Gasquetons en de Peyre- longues. Philippe Gasqueton, die op Calon woont, heeft het in 1962 geërfd van zijn oom, die de wijn een vaste plaats op de kaart had bezorgd. Wat ook goed van pas kwam, was dat de Engelsen Bertrand Peyrelongue graag mochten, en ik kan me nog goed herinneren hoe Bertrand midden jaren ‘50 in zijn jacht de Theems opvoer. Hij meerde vlak bij de Tower of Londen af en nodigde zijn vrienden uit de wijnhandel aan boord om wijn te proeven en een fles of twee mee te nemen. Wat een elegante en beschaafde manier om Bordeaux te verkopen!

Calon-Ségur heeft later mindere jaren gekend. Soms denk ik dat dat werd veroorzaakt door het zwakke jaar 1964 (ga maar na, de oogst op Lynch-Bages en zelfs op Lafite en Mouton ging te gronde aan de zware regenval midden in het oogstseizoen), maar in recentere jaren heeft de wijn gelukkig zijn oude vorm herkregen. Hij maakt qua evenwicht en fruit goed wat hij mist aan élégance - het is per slot van rekening een St- Estèphe - en is goed te bewaren.

De enige andere crus classés van de appellation zijn de vierde cru Lafon-Rochet en de vijfde cru Cos Labory, waarvan de eerstgenoemde aan de rand van het plateau ligt, vlak bij Cos d’Estournel, en alleen van Lafite wordt ge¬scheiden door de Jalle du Breuil. De wijn van Lafon-Rochet, van de familie Tesseron van Pontet-Canet, heb ik vaak hard en ontoeschietelijk gevonden. Cos Labory is een kleine bezitting direct tegenover Cos. Er wordt een aangename wijn gemaakt. Van de paar dozijn bourgeois'bezittingen maken de châteaux Meyney en Phélan-Ségur, beide mooi gelegen tussen Montrose en het dorp St-Estèphe, met uitzicht op de Gironde, goede wijn, net als de châteaux de Pez, Houissant en les Ormes de Pez - Hubrecht Duijker heeft de beste hiervan voor u op een rijtje gezet.

Wat stijl betreft zijn de mindere wijnen van St- Estèphe diep van kleur, vol fruit, in het verleden vaak overladen met tannine — op hun best vol-fruitig, op hun slechtst grof. Even ten noorden van het dorp St-Estèphe zorgt een jalle, het Chenal de Calon, voor de afwatering van de wijngaarden van Calon-Ségur en scheidt het het brede plateau van St-Estèphe van een apart gelegen heuvel. Op deze verhoging, die maar 19 meter hoog is, vind je een aantal crus bourgeois, waaronder le Boscq en Beau-Site.

Voorbij St-Estèphe
Nog verder naar het noorden ligt een uitgestrektere vlakte, nog een jalle - en het einde van St-Estèphe. De gemeente St- Seurin-de-Cadourne maakt deel uit van de appellation Haut- Médoc, waar op pagina 103-122 dieper op wordt ingegaan. Enkele van mijn lievelingswijnen in St-Seurin zijn de drie châteaux van de familie Miailhe (Jean Miailhe is de neef van May-Eliane de Lencquesaing): Coufran, met een hoog percentage merlot (de viezigheid van die druif voorkomt dat de wijn te streng wordt); Verdignan, dat dezelfde eigenaar heeft, en Soudars, dat de laatste tijd een bijzondere reputatie krijgt. Jeans zoon is op alle drie de châteaux de wijnmaker. En hier komt de Haut-Médoc abrupt tot een eind. Maar de druivenstokken niet. Verder naar het noorden liggen de uitgestrekte wijngaarden van de appellation Médoc (voorheen Bas-Médoc genoemd), die ook weer in een apart hoofdstuk, op pagina 123-137, worden behandeld.

Persoonlijke voorkeur

Montrose en Cos d’Estournel, in bepaalde jaren op de voet gevolgd door Calon-Ségur. De betrouwbare crus bourgeois, waaronder de Pez en (net buiten de appellation, in de Haut- Médoc) Coufran en Verdignan.