Geschiedenis Lexicon

H.W.J. Volmuller (1981)

Gepubliceerd op 03-08-2020

Rotterdam

betekenis & definitie

Ned. gemeente in de prov. Zuid-Holland.

Wordt 1283 het eerst genoemd: dankt zijn naam aan de naburige dam in de Rotte, waar een gehucht lag, dat zich door handel en visserij uitbreidde; kreeg 1299 het stadsrecht van Beverwijk van → Wolfert van Borsele, die Rotterdam tot bloei wilde brengen ten koste van Schiedam, een stichting van de Avesnes, hetgeen mislukte door zijn vermoording (1299). Rotterdam verwierf 1340 stadsrecht: kreeg door het graven van een verbinding met de Schie een flink achterland maar bleef in de 15e eeuw toch nog meer vissers- dan handelsplaats. Er kwam industrie (brouwerijen, lakennijverheid) en de handel breidde zich uit naar o.a. Engeland. Ernstige ontwikkelingsbelemmeringen waren de troebelen van de 15e eeuw (o.a. de → Jonker Fransenoorlog) en de brand van 10.7.1563. die de stad grotendeels in de as legde. 1572 geplunderd door Spaanse troepen onder Bossu, werd 1573 staats, was daarna enige tijd de residentie van Holland, profiteerde van de Spaanse verovering van Antwerpen (1585) en werd mede daardoor de 2e handelsstad van Holland. Bleek tijdens het Twaalfjarig Bestand (1609-21) remonstrants georiënteerd, maar kon toen door prins Maurits met gemak worden bedwongen.

Tijdens de Republiek zetel van een admiraliteitscollege: behoorde tot de 12 kleine stemhebbende steden, die in de Staten van Holland vertegenwoordigd waren. Tijdens de stadhouderloze tijdperken gaven de lagere klassen enkele malen op roerige wijze blijk van hun verknochtheid aan de Oranjes. Tussen 1781-87 domineerden de patriotten: 1787 vond de verwijdering van de prinsgezinde regenten plaats (de zgn. re motie). Rotterdam werd in de Franse tijd (1795-1813) zwaar getroffen door de teruggang van de handel. Daarna trad een bescheiden herstel in en volgde uitbreiding van het verkeer op Duitsland en Engeland (→ A. Hoboken, → G.M.

Roentgen). De toestand van de scheepvaartgaten en de langzame opkomst van het spoorwegwezen belemmerden echter de economische expansie. In 1868 werd de Nieuwe Waterweg doorgegraven, maar het zou nog tot 1885 duren voor deze verbinding geschikt was voor stoomschepen met flinke diepgang. De verhoogde activiteit in de 2e helft 19e eeuw werd vooral geëntameerd door → U. Pincoffs. Na de crisis van 1873 nam de overheid zelf het initiatief.

Sindsdien leidde ir.GJ.de Jong. als directeur van Gem. werken tot 1910 de havenaanleg. De migratie van het platteland t.g.v. de slepende agrarische depressie (1878-95) bracht Rotterdam overvloedig goedkope arbeidskrachten en naast het havenbedrijf beleefde ook de industrie sinds einde 19e eeuw sterke expansie. De stadsuitbreiding had inmiddels tot verschillende annexaties geleid: 1869 delen van IJsselmonde, Charlois en Katendrecht, 1886 Delfshaven, 1894 Kralingen en een stuk Charlois. Ook Overschie verloor gebied. Ca. 1920 was het tijdperk van de stormachtige groei voorbij. In 1940 viel de binnenstad grotendeels ten offer aan een Duits bombardement. Na de oorlog volgde volledig herstel van de economische betekenis van de stad.Litt. R.Bijlsma. Rotterdams welvaren 1550—1650 (1918): L.van Ravesteyn, Rotterdam in de 18c en 19e eeuw (1924-33; herdr. 1974): L.van Ravesteyn. Rotterdam tot het einde der 18c eeuw (1933; herdr. 1974); T.S.Jansma. De oudste gesch. van Rotterdam 1270—1358 (1940); Z.W.Sneller, Gesch. van den steenkolenhandel van Rotterdam (1946); L.van Ravesteyn. Rotterdam in de 20e eeuw (1948): P.J.Bouman en W.H.Bouman.

De groei van de grote werkstad (2e dr. 1955): R.J.Koopmeiners. Oorsprong, ontwikkeling en betekenis van het middeleeuwse Rotterdam (1956); J.Nieuwenhuis, Van poort tot poort (1961); J.Melles. Ministers aan de Maas. Rotterdamse stadspensionarissen van 1508—1795 (z.j.); G.E.van Walsum. Rotterdam Europoort 1945-70 (1972); E.A.Engelbrecht. De vroedschap van Rotterdam 1572 — 1795 (1973): J.Kossmann en A.Kossmann, Rotterdam en de zee (2 dln. 1964): R.Blijstra.

Rotterdam, stad in beweging (1965); C.Hoek. Rotterdam aan het einde van de middeleeuwen (1972); J.H.van Stuyvenberg. De Ned. Economische Hoogeschool 1913—63 (1963); H.C.Hazewinkcl, Geschiedenis van Rotterdam (3 dln. 1940—42; herdr. 1974); W.Top, Rotterdam, de grootste haven (1975); Rotterdams Jaarboekje.

< >