eene litansche adellijke familie, bekend uit den door den intocht van Karel XII in Polen ontstanen strijd tegen de familie Sapieha. Uit het geslacht O. verdienen inzonderheid melding:
(Michael Casimir, graaf), geb. 1731 te Warschau, werd door den deenschen ambassadeur Osten voorgesteld aan keizerin Catharina II van Rusland, met de berekening, dat zij waarschijnlijk op den welgemaakten graaf O. verliefd worden zou, waardoor men hoopte een einde te zullen maken aan hare genegenheid voor Poniatowski (1763). Werkelijk werd O. de begunstigde van de wulpsche keizerin; doch dit bracht geenerlei verandering teweeg in hare plannen, en Poniatowski werd tot koning verheven, terwijl O. benoemd werd tot groot-hetman van Litauen, en het leven leidde van eenen vorst op het kasteel van Slonim, zijne residentie. In 1771 echter stelde hij zich aan het hoofd van eene confederatie ten behoeve van Polen tegen Rusland, versloeg de Russen bij Janoff, en ontweldigde hun Minsk; doch door verraad werd hij overrompeld te Stolowice, waar hem de totale nederlaag toegebracht werd, zoodat hij zich genoodzaakt zag te vluchten (1771) naar Koningsbergen, en van daar naar Dantzig. In 1776 geanmestiëerd, keerde 0. naar Polen terug, en liet op eigen kosten het naar hem genoemde kanaal (het Oginskisclie kanaal) graven, dat 12 uren gaans lang is, en door middel van Prypec en Niemeu de Oostzee met de Zwarte Zee in gemeenschap stelt. Hij was omstreeks 70 jaren oud toen hij op zijn kasteel te Slonim stierf.
(Michael Cleophas), neef van den vorige, geb. 25 Sept. 1765, opperschatmeester van Litauen, nam onder Kosciuszko deel aan den Poolschen vrijheidsoorlog, werd 1802 geamnestiëerd, 1810 senator en lid van don Geheimen Raad in Rusland, hield echter sedert 1815 verblijf te Florence, waar hij 1831 stierf. Als componist heeft hij inzonderheid naam gemaakt met zijne Polonaises; doch van meer degelijk gewicht zijn zijne Mémoires sur la Pologne et les Polonais depttis 1788—1815 (2 dln. Parijs 1826).