Geographisch

Geographisch-woordenboek

Gepubliceerd op 29-11-2021

Mecklenburg

betekenis & definitie

een landschap in den voormaligen Nedersaksischen kreis, ten N. begrensd door de Oostzee, ten Z. door Luneburg, ten 0. door Dommeren en Brandenburg, ten W. door Lauenburg en Lubeck, had voorheen tot hoofdstad het (reeds in den tijd van Hendrik den Leeuw eene voorname stad, doch thans slechts een met 600 zielen bevolkt zijnde) dorp M., dat 2 uren gaans bezuiden Wismar ligt. Tegenwoordig is dit landschap gesplitst in de twee groothertogdommen M.-Schwerin en M.-Strelitz (zie de beide volgende artt.).

De dynastie van M. is het oudste regeerende stamhuis van Europa ; men laat haar opklimmen tot het jaar 320. Genserik, de koning der naar het zuiden van Europa verhuisde Vandalen, behoorde tot dit geslacht: zijn broeder Fredobald regeerde over de Wenden, die in het land aan de Oostzee bleven wonen. Aribert, zijn afstammeling in den 7en graad, erkende het fränkische oppergezag eerst onder Karel den Groote; na zijnen dood werd het rijk der Wenden weder onafhankelijk. Eerst na langdurig oorlogen werd het (1161) door Hendrik den Leeuw onderworpen; deze gaf het terug aan Pribislaw, die zijn schoonzoon werd en zijnen naam aannam. In de 14e eeuw werd het prinsdom gedeeld, doch Hendrik de Vette bracht het 1474 weder tot één geheel. Nieuwe deeling in 1592, toen er twee liniën van het huis M. ontstonden: M.-Schwerin en M.-Gustrow. Deze laatste linie stierf uit 1695; maar de andere splitste zich in drie takken: Schwerin-Schwerin, Schwerin-Grabow en Schwerin-Strelitz. De tweede dier drie hield op te beslaan 1692 ; en na langdurige geschillen had er eindelijk 1701 tusschen de beide overgeblevene lakken eene deeling plaats, waarvan de gevolgen stand hebben gehouden tot op den huidigen dag. De regeerende vorsten werden toen hertogen genoemd; het congres van Weenen (1815) verleende aan beiden den titel van groothertog.