Geographisch

Geographisch-woordenboek

Gepubliceerd op 29-11-2021

Limburg

betekenis & definitie

1) voormalig hertogdom, is sedert 1839 gesplitst in twee deelen, nl.: Nederlandsch L. en Belgisch L.

Het tot de Nederlanden behoorende en daarvan eene afzonderlijke provincie uitmakende gedeelte ligt op den rechter-oever van de Maas, wordt ten N. en N. W. begrensd door Noord-rBraband, ten W- door Belgisch Limburg (waarvan het door de kjpas gescheiden is), ten Z. door de prov. Luik, ten O. door Rijnpruisen. De nederlandsche prov. L. (ruim 40 vierk. mijlen groot en bevolkt met circa 220,000 zielen) heeft tot hoofdplaats Maastricht, dat op den lipker-oever van de Maas ligt, behoorende een rayon van ?4Q0 ellen rondom de stad almede tol Nederlandsch L., waarin ook de steden Roermond en Venlo.

Belgisch Limburg wordt ten N. begrensd door Noord-Braband en Nederlandsch Limburg, ten 0. door Nederl. Limburg, ten Z. door de prov. Luik, ten W. door Zuid-Braband, ten N. W. door de prov. Antwerpen. De belgiscbe prov. L. is circa 44 vierk. mijlen groot, bevolkt met 196,000 zielen, en heeft tot hoofdplaats Hasselt; andere steden zijn: Tongeren, St.-Truieu, Maaseyck, Hamont.

Besproeid wordt L. door de rivieren Maas, Demer, Herck, Neer en Jaar. Eertijds deel uitmakende van het hertogdom Neder-Lotharingen, bad L. sedert de 10e eeuw eigene hertogen ; in 1288 maakten de hertogen van Braband zich meester van deze provincie. Vervolgens kwam L. met Burgundië aan de vorsten uit het Oostenrijksche huis, daarna aan Spanje, en was een der 17 provinciën van de Nederlanden. In 1795 door de Franschen bemachtigd, maakte L. het grootste deel uit van het departement der Beneden-Maas, en werd 1814 aan het koninkrijk der Nederlanden ?fgestaan; doch in den Belgischen opstand (1§3Q) koos L. (de stad Maastricht alleen uitgezonden)) de partij der Belgen, en sedert 1851 was het bezit van L. het onderwerp van een lang gerekten twist, wqqraan eerst voor goed een einde gemaakt werd door het tractaat van April 1839, bij hetwelk de de splitsing plaats vond, hierboven aangeduid door de benamingen Nederlandsch L. en Belgisch L. Sedert ffqt tijdstip (alleen Maastricht en Venlo uitgezonderd) maakte Nederl. L., ofschoon eene provincie ygp bet koninkrijk der Nederlanden, met Luxemburg deel uit van den Duitschen Bond, van welden band L. echter formeel ontslagen werd 1867, nadat het jaar te voren de Duitsche bond uiteen gespat was.

2) stad in België, aan de Weeze, 7 uren gaans beoosten Luik; 2200 inw.; handel in Limburgsche kaas. Eertijds was L. de boofdqtad van het hertogdom Limburg; doch maakt tegenwoordig geen deel meer uit van L. (zoo min van de belgische als van de nederl. prov.); de stad L. behoort thans tot de prov. Luik. Ingenomen werd L. door Lodewijk XIV in 1675; teruggegeven 1678.
3) versterkte stad in het Nassausche, aan de Lahn, 5 uren gaans benoordooslen Nassau; 3700 inw.
4) L., of Hohen-Limburg, stad in het pruis. reg.-district Arnsberg, aan de Lenne, 8 uren gaans bezuidwesten Arnsberg; 3300 inw.; kasteel; hoofdplaats van het graafschap Hohen-L.