(Daniël) verdienstelijk als philoloog en criticus, geb. 9 Juni 1580 te Gent, met zijne ouders in 1583 naar Zeeland gevlucht, van daar naar Engeland, kwam eindelijk met hen te Rijswijk bij ’s-Gravenhage wonen, had Scaliger en Douza tot leermeesters, werd 1605 prof. der geschiedenis en staatk. wetenschappen te Leiden, vervolgens bibliothecaris dier stad, ontving 1618 den titel van raad en historiograaf van Gustaaf Adolf van Zweden; zijne uitgaven van Hesiodus, Horatius, Virgilius, Ovidius, Terentius, Seneca en Maximus Tyrius zijn nog tdgenw. geacht. Ofschoon hij zich op de synode te Dordrecht (1618—19) kenmerkte ais een onverdraagzaam bestrijder van de Remonstranten, mocht het hem niet gelukken met het professoraat der theologie bekleed te worden.
Na eene halve eeuw een sieraad der leidsche hoogeschool, doch in den laatsten tijd zijns levens volslagen kindsch geweest te zijn, stierf hij 25 Febr. 1655.(Nicolaas), zoon van den vorige, geb. 20 Juli 1620 le Leiden, deed vele wetenschappelijke reizen, was sedert 1654 gedurende eenige jaren nederl. gezant te Stokholm, volbracht ook andere staatk. zendingen, o. a. 1667 naar Rusland ; van daar teruggekeerd, vestigde bij zich metterwoon te Vianet), waar hem echter zijne laatste levensjaren vergald werden door een proces, hem aangedaan door eene vroegere bijzit, die hem gerechtelijk wilde noodzaken om haar te trouwen. Hij stierf te 's-Gravenhage 7 Oct. 1681. Hij was even als zijn vader een verdienstelijk philoloog, en mag een der beste latijnsche dichters van zijnen tijd genoemd worden (Poëmata, Amst. 1666).